Koperslag

Wouter van Gorp

26 februari 2019

Hakken tikken op de marmeren vloer. Ze loodsen mevrouw Imaret langs balken en werktafels vol achtergelaten gereedschap naar haar kantoor, aan het einde van de gang.

De lichten zijn al aan het dimmen in het museum, en aan het einde van de lange werkdag is de hoofdcurator ervan overtuigd dat de goden vandaag tegen haar samenspannen: ze had zich – voor het eerst in vijfendertig jaar – verslapen, haar tram reed niet en door de geplande renovatie van het Traalse Stadsmuseum moest ze haar werkzaamheden verplaatsen van haar kantoor naar de Zaal van de Renascentie, de grote ruimte midden in het museum, deels expositieruimte, deels leeszaal.

Het gehamer en gezaag van de verbouwing verderop, en het aanhoudend gefluister, gemompel en soms ronduit luide gesprekken van de bezoekers – wie kende tegenwoordig nog manieren? – zorgden er voor dat ze nauwelijks een woord op papier kreeg.

En als zure kers op de toch al niet geweldige taart: door de ziekte van een van de gidsen had Imaret, als hoofdverantwoordelijke, de avondrondleiding voor rekening mogen nemen. Het had een heuglijk staartje aan de vermoeiende dag kunnen zijn, maar haar groep, een verveelde colonne studenten van de Traalse Hogeschool voor Rechten, maakte er geen geheim van dat dit cultureel uitje een hen opgelegde verplichting was, en zelfs de begeleidende magisters konden een onbeleefde geeuw bij ieder nieuw deel van de expositie maar moeilijk onderdrukken.

"En dan komen we bij het hoogtepunt van onze collectie," zei Imaret, in een verbeten poging enthousiast te blijven over de inhoud van de rondleiding. "De uitvinding waarmee Diacone Attalandro het middelste deel van zijn glansrijke carrière – toen hij een decennium woonachtig was in onze stad Traal – wist af te trappen: het Horologium!"

Imaret had weliswaar geen applaus verwacht van deze groep bezoekers, zelfs geen schokken van verwondering. Echter, een blik van herkenning bij het zien van het magnum opus van de excentrieke uitvinder was prettig geweest. In plaats daarvan staarde de meute juristen in spe haar aan alsof ze van het padje was gedwaald.

"Dat is een klok," merkte een van hen op.

"Ah, maar niet zomaar een klok," deed mevrouw Imaret tegen beter weten in nog een poging iets van de expositie te maken. "Het Horologium is – naast een bijzonder meesterlijk vervaardigd kunstwerk, met onderdelen van glas, ivoor, goud, zilver en marmer, allemaal in perfecte balans – tevens het eerste onfeilbare uurwerk dat draait op waterkracht."

Ze liet die informatie even inzinken. De gewenste reactie bleef uit.

"Een hydraulisch perpetuum mobile, gemaakt ver vóór de oplaadbare stoomcellen onze klokken van eeuwige werking voorzagen. Bijna 300 jaar geleden wist een Renascentie-man te bouwen wat wij pas in de afgelopen vijftig jaar kunnen, met compleet andere technologie!"

Wederom, weinig respons. Achterin mompelde iemand, net iets te hard, "gewoon een klok."

Daarna had Imaret het opgegeven. Ze had de groep een hol bedankje geboden voor hun aandacht, en hen de gelegenheid geboden nog even door de expositieruimte te lopen en eventueel vragen te stellen. Binnen een minuut stond het gezelschap buiten.

"Weg ermee," gromt ze. "Cultuurcriminelen."

Onderweg naar haar kantoor – waar een laatste project op haar wacht – passeert ze een verdwaalde timmerman, ongeschoren, de wallen onder zijn ogen net zichtbaar onder de klep van zijn pet, met een langwerpige gereedschapskist onder zijn arm. De man knikt Imaret toe in het voorbijgaan, glimlacht zwakjes, en ze voelt haar antipathie voor de lui die van haar museum een bouwplaats hebben gemaakt, wegebben. Alles voor het grotere goed, en ook zij maken lange dagen.

"Goedenavond," wenst ze de man toe.

Hij knikt en mompelt iets terug.

Eenmaal in haar kantoor kan Imaret eindelijk doen waar ze al de hele dag naar uitkijkt: zich op haar persoonlijke passieproject storten.

"Oké, Attalandro," grijnst ze, terwijl ze plaats neemt aan haar bureau, en de kist die daarop ligt gadeslaat. "Hier gaan we."

Meer dan twee maanden na de ontdekking van het voorwerp kan Imaret nog steeds moeilijk geloven hoeveel geluk ze heeft gehad het object überhaupt op te merken. De curators van de collectie te Racella – geboortestad van 's werelds meest gerenommeerde kunstenaar – hadden niet geweten wat voor kostbaar artefact ze daar hadden liggen, maar Imaret had de karakteristieke inkepingen van Diacone Attalandro meteen herkend. Geveinsde interesse in koperwerk uit de eeuw van de Renascentie had het artefact vervolgens – tezamen met enkele oprecht waardeloze stukken – voor een geringe som in het bezit van het Traalse Stadsmuseum gebracht.

En de taak valt mevrouw Imaret ten dele om te kijken waar dit onbekende stuk uit Attalandro's oeuvre precies thuishoorde. Twee weken na ontvangst van het artefact heeft ze eindelijk een avond vrij om het object nader te inspecteren. Ze heeft hier lang naar uitgekeken.

"Tijd om geschiedenis te schrijven," mompelt ze, en met een klik opent ze het sluitwerk van de kist en tilt het deksel op.

En onthult, in de kist, niets dan een beschermlaag stro.


De geur van ozon hangt in de donkere straten van Traal en biedt de belofte van onweer.

De straten zijn grotendeels verlaten, en ogenschijnlijk slaapt de stad al. Toch is er buiten méér bedrijvigheid dan op eerste gezicht lijkt: wie zoekt, kan op tweehonderd meter afstand van het Traalse Stadsmuseum, weggestopt in een vuilnisemmer, een weggeworpen overall vinden. Weer honderd meter verder, tussen het struikgewas, een gietijzeren gereedschapskist. Nog eens honderd meter verder drijft een pet in het troebele water van een rioleringsgeul. En tenslotte loopt, op een halve kilometer van het museum, een man: midden twintig, met snelle, zelfverzekerde pas, met een juten zak over zijn schouder geworpen.

Zijn naam is Anton Grevel, en zodra hij het stadscentrum inwisselt voor een wijk met hoogbouw in barokke stijl, ooit een modieus deel van de stad, nu door verloedering en een historie van overstromingen grotendeels leeggelopen, begint hij zachtjes te fluiten. Het gewicht van het begeerde object tegen zijn onderrug stelt hem gerust, en laat zijn euforie groeien met iedere stap die hij zet.

"We worden rijk, rijk, rijk, met z'n tweeën tegelijk," zingt Anton. Zijn gezang gaat hem vooruit, zigzagt door de lege straten van de achterstandswijk, stokt ten slotte bij de met ijzer versterkte deur van het appartementencomplex.

Het appartement. Hoewel Anton er nu al meer dan twee maanden woont, ziet hij het niet als thuis. Daarvoor is er te weinig van hem, en te veel van de andere bewoner in de woning aanwezig.

"Prof!"

Zijn stem weergalmt door het kale trappenhuis, luid genoeg om alle buren wakker te maken. Als er buren waren geweest, althans. Anton weet niet zeker of de professor nou een appartement heeft uitgekozen in een verlaten complex, of dat hij met zijn aanwezigheid de laatste bewoners heeft verjaagd. Het resultaat is hetzelfde: een plek waar de in ongenade gevallen hoogleraar vrijuit zijn gang kan gaan.

"Prof, ik heb de katalysator!"

De deur schraapt bij binnenkomst over de vloer van het appartement. Een blinde worp brengt de mantel naar diens plek aan de kapstok. Anton zigzagt tussen stapels papier, langs de salontafel – egaal zwartgeblakerd door vele experimenten – en om de bank die bezaaid ligt met het krantenpapier waaruit hij en de prof gefrituurde vis eten.

Anton staat even stil bij de aanblik van de augiasstal, en prijst zichzelf gelukkig dat hij en de professor geen schoonmaakster in dienst hebben. Ze zouden zich doodschamen.

Van de professor in kwestie is echter geen spoor te bekennen. Anton werpt een blik op de deur naar de achterkamer van het appartement. De werkplek. Normaal gesproken houdt de academicus die deur open, of het nu dag, nacht of iets daartussen is.

"Perrants? Ben je daar?"

Stilte.

"Ik ben het, Anton. Ik heb de katalysator! Precies zoals ik het voor ogen had: me tussen het werkvolk mengen tijdens sluitingstijd, en dan wachten tot er bijna niemand meer was. Koud kunstje. Kan ik binnenkomen?"

Stilte.

"Ik kom binnen."

Wat Anton als eerste in het oog springt is dat de stapel schetsen en schema's – die ochtend nog zorgvuldig door hem gesorteerd – nu als een vergeelde lawine de vloer van de kamer aan het zicht onttrekt.

"Wel verdomme, Prof, ik- oef!"

Meer krijgt Anton niet over zijn lippen, want op dat moment maakt een vuist op brute wijze contact met de achterkant van zijn hoofd. Anton geeft een kreun, en landt met zijn gezicht in het paperassentapijt.

Vlak voor de voeten van de geknevelde professor.

"Anton Grevel?"

Anton, wiens zicht langzaam weer scherp wordt, kijkt omhoog. Naar de man die achter Antons vastgebonden huisgenoot staat: een lange, slanke man in driedelig pak, die achterover leunt tegen het bureau en de nieuwkomer vanachter rode, spiegelende brilglazen gadeslaat. De brede glimlach geeft zijn magere gezicht met ingevallen wangen een macabere uitstraling.

"Fijn dat je je bij ons voegt. Mijn compagnon en ik hebben onszelf binnengelaten om een en ander met je zakenpartner door te spreken."

De compagnon in kwestie stapt over Antons lichaam heen, en neemt stelling naast de man in het pak. Anton kijkt naar de spieren die als staalkabels over het lichaam van de lijfwacht lopen, en slikt als hij diens harde blik vangt.

"Maar nu je er toch bent," vervolgt de man in pak, met nauwelijks verholen glimlach, "lijkt het me fijn als je je bij het gesprek voegt. Het betreft eigendomsrechten."


De man in het pak heeft zich voorgesteld als Trabelart Knook: "Politicus, zakenman, filantroop, en, tenslotte, hoogst geïnteresseerd in jullie onderneming."

Anton Grevel en professor Perrants kunnen weinig anders, met de lap stof in hun mond, dan ja knikken of nee schudden, al naar gelang de situatie vereist. Beiden weten ze wie Trabelart Knook is, en beiden vervloeken ze het feit dat de man in hen geïnteresseerd is.

Trabelart Knook glimlacht, en spreekt de mannen een voor een toe. "Casper Perrants, professor metamechanica aan de Traalse Academie. Althans, dat was u, voordat een controversiële reeks publicaties u dwong tot afreden, en u een carrière als rondzwervende kwakzalver aan de andere kant van de oceaan omarmde. Nu, na twintig jaar, weer terug in uw geboortestad." Knook richt zijn blik op de jongere man: "En Anton Grevel, een derderangs oplichter met een strafblad zo lang als mijn arm. Laat ik zeggen dat ik verbaasd was om te horen dat twee mannen van zulk uiteenlopend allooi de handen ineengeslagen hebben. Maar goed, de onderneming die jullie op poten hebben gezet, is dan ook niet de meest gebruikelijke. Lev?"

Op de wenken van Trabelart legt de lijfwacht – met de precisie van een militair – de koperen onderdelen op tafel, terwijl zijn werkgever het woord voert.

"Vijf maanden geleden: een diefstal in een landhuis even buiten de stad." Een statief met drie poten landt op tafel. "De eigenaar wist niet wat voor curiositeit hij in huis had, en het duurde meer dan een maand voordat hij doorhad dat naast de inhoud van zijn kluis, ook dit object was buitgemaakt."

Lev legt een tweede voorwerp neer: een grote, rechthoekige plaat koper, ingezet met een wirwar aan kabels, ventielen, kleppen, en glazen uitstulpingen.

"Deze trok wat meer aandacht," vervolgt Trabelart, "en bracht jullie bij mij in het vizier. De diefstal vond plaats tijdens een veiling, en deed het nodige stof opwaaien toen de koper er met zijn aankoop vandoor was, en de geschreven nota geen jota waard bleek."

De objecten landen nu een voor een in verhoogd tempo op tafel. "Een wisseltruc," somt Trabelart op, "een zwendel, een brandstichting, een, oh ja, een van mijn favorieten: een huiszoeking bij een spilfiguur binnen het crimineel circuit van Traal. Ik vraag me af hoe hij zich voelde toen hij erachter kwam dat de mannen aan zijn deur geen agenten waren, maar doodgewone dieven…"

Als de katalysator tussen de stapel belandt, trekken de mondhoeken van Trabelart omhoog. Hij neemt het voorwerp in handen en inspecteert het aandachtig.

"Het laatste deel. Deze avond buitgemaakt uit het museum. Oh, bespaar me die blik, Anton. Dacht je nu echt dat je onzichtbaar was in de kloffie van een bouwvakker? Zodra ik wist wat jullie bijeen aan het sprokkelen waren, bleek het een koud kunstje om het laatste artefact te volgen tot zijn eindbestemming, en de nodige mensen in de buurt te houden. En jij, beste Anton, deed de rest, door het museum twee weken lang te observeren, op een manier die jij wellicht wel onopvallend achtte. Tegen de tijd dat je je slag sloeg, hadden wij je stappen al lang en breed getraceerd naar dit nederige stulpje."

Trabelart leunt naar voren, legt de katalysator neer en kijkt beide heren over de rand van zijn rossige, weerspiegelende brilglazen aan.

"Hier zou ik goed opletten, heren, want dit deel is voor jullie van groot belang… De autoriteiten hebben te kennen gegeven een prijs van vijf talenten uit te loven voor de daders van de recente reeks inbraken. Ik moet zeggen dat de verleiding groot is jullie aan te geven. Toch is er iets dat me weerhoudt…"

Trabelart haalt een stuk papier uit zijn borstzak, zorgvuldig opgevouwen. "Kijk aan," zegt hij, terwijl hij het papier ontvouwt, en de onthulde schets van een apparaat inspecteert. "Wie had gedacht, professor Perrants, dat u zo'n bijzonder document tijdens uw papieren had slingeren? Ik heb er, terwijl we op uw jonge vennoot wachtten, al een blik op kunnen werpen. En mijn conclusie is de volgende: de artefacten, zo zorgvuldig door u geroofd, zijn geen losstaande objecten uit het portfolio van de heer Attalandro. Integendeel: zij culmineren tot het hier geschetste apparaat; tot een machine van de uitvinder die tot op heden onbekend gebleven is; tot een artefact waarvan de som ver boven de waarde van zijn afzonderlijke onderdelen uitstijgt."

Hij grijnst beide mannen toe. "In hoeverre ik het goed heb, kunt u me zo meteen rustig vertellen. Maar mocht er enige twijfel bestaan over de mogelijkheid door bluf of halve waarheden aan deze akelige situatie te ontkomen: besef dat u heel wat meer te vrezen heeft dan de retributie der autoriteiten, als uw antwoorden mij niet zinnen."

Om die woorden kracht bij te zetten kraakt de lijfwacht, Lev, met zijn knokkels.

"Is dat duidelijk?"

De mannen knikken.

Op de wenk van Trabelart ontdoet Lev de twee gevangenen van de lappen stof in hun mond. Antons mond voelt aan alsof die droog geschrobd is door een stoffige lemming.

"Dus… zegt u het maar."

Het is de professor die als eerste herstelt. "Het apparaat," krast hij schor, "zal de wereld veranderen."

Trabelart knippert met zijn ogen. "Leg uit," zegt hij.

"Diacone Attalandro," begint de professor op plechtige, zij het schorre toon, "was de grootste uitvinder van zijn tijd. Van alle tijden, kan ook wel gezegd worden. Wat wij hier willen reconstrueren, heer Knook, is de machine die Diacone Attalandro van het leven beroofde."

Trabelart snuift. "En uw bewijs daarvoor?"

"Bewijs genoeg!" zegt de professor, met een sluwe blik in zijn ogen. "Het gebrek aan een sluitende verklaring omtrent zijn plotse verdwijning, bijvoorbeeld. Of het feit dat er, een dag nadat Attalandro voor het laatst gezien was, een hevige brand uitbrak in het stadspark van Racella."

"Door blikseminslag," wimpelt Knook het argument af, "niet door een experiment."

"Ah, maar was die blikseminslag geen deel van het experiment? U moet beseffen dat Attalandro in zijn laatste dagen met allerlei gevaarlijke praktijken bezig was: alchemistische reacties, stoom- en waterkrachtmachines, toepassingen van vuur en gecontroleerde ontploffingen… Het laatste wat hij wilde bereiken, had te maken met de verzameling koper die hier op tafel ligt. En was gevaarlijker dan al zijn vorige experimenten bij elkaar. Bovendien: de tekenstijl die Attelandro in de schets laat zien, dateert uit de laatste periode, gezien de schokkende bewegingen die zijn pols destijds kwelden. Ik geloof dat dit het laatste werk is dat de grootmeester trachtte te voltooien."

"En jij?" Trabelart richt zijn vraag tot Anton. "Geloof jij dit ook?"

Anton haalt zijn schouders op. "Ik vertrouw de professor."

"En als hij dit experiment wilde uitvoeren," voegt de professor eraan toe, "verklaart dat precies waarom er geen lichaam meer was om te vinden!"

Trabelart richt zijn blik – half sceptisch, half geïntrigeerd – op de koperen onderdelen. "Wat is het?"

"Voor zover we kunnen beoordelen," zegt Anton, "is de machine bedoeld om de bliksem te vangen."

"De bliksem vangen? Met welk doel?"

"Stel je eens voor wat je ermee kunt… de bliksem is een ontzettend angstaanjagende kracht, en terecht door de mens gevreesd. Maar stel dat je die kracht kunt beheersen, kunt sturen? Door de bliksem te vangen voordat die inslaat, bescherm je alle mensen, hun woningen, hun vee, in een radius van enkele kilometers. Bosbranden behoren tot de geschiedenis, evenals de kostbare herbouwtrajecten, als er weer een stadswijk in vlammen is opgegaan."

"Maar dat is niet het enige," voegt de professor aan de woorden van Anton toe. "We denken dat Attalandro de bliksem niet alleen wilde opsluiten; Stel dat je de energie die bij een ontlading vrijkomt, kunt inzetten voor machines… de mogelijkheden zouden onbegrensd zijn. Je zou de bliksem zelfs kunnen loslaten in diezelfde vorm, op een door jou gekozen locatie. Een aardig hulpmiddel als het aankomt op het slopen van gebouwen, het omscheppen van de aarde, of-"

"-of als wapen," vult Trabelart in.

Perrants kijkt de politicus geschokt aan, maar zijn blik wordt met een glimlach beantwoord.

"Die mogelijkheid kan u toch zeker niet ontgaan zijn, beste Caspar… Maar goed, laten we aannemen dat wat jullie zeggen waar is: jullie hebben de machine die Diacone Attalandro noodlottig werd weer in handen. Wat is de volgende stap?"

De twee vastgebonden mannen kijken elkaar verdwaasd aan. Het is Anton die als eerste antwoord geeft. "Het apparaat testen?" oppert hij.

Van buiten dringt het gerommel in de bewolkte hemel het appartement binnen. Trabelart draait zijn hoofd richting het geluid, en een kleine glimlach speelt om zijn lippen.

"Als geroepen," zegt hij, en komt van zijn stoel af. "Heren, laten we naar boven gaan.


De donder nadert.

Gespannen kijken de twee gegijzelden naar hun reconstructie van Attalandro's machine. De koperen driepoot oogt, opgesteld op het dak van het appartementencomplex, onder het oplichtende wolkendek, iel en geenszins zo indrukwekkend als op de schetsen van de grootmeester zelf.

Weer een flits. Deze keer komt de donder vier, vijf tellen later, luid genoeg om professor Perrants een klein, geschrokken sprongetje te laten maken.

De lijfwacht lijkt te delen in de bedenkingen van de professor: de kleine handkruisboog is niet meer op het duo dieven gericht, maar bungelt in zijn losse grip omlaag.

Slechts Trabelart laat niets van zenuwen merken. Zijn rode, glanzende brilglazen staan strak op de hemel gericht, en zijn grijns wordt bij ieder treffen van de bliksem groter.

"Heren," zegt hij, "laten we geschiedenis schrijven."

Flits en donder slaan in als één. Een kolom van licht daalt neer uit de hemel, versmalt, en vindt haar doelwit in de spijl bovenop de driepoot. Allen behalve Trabelart doen een stap achteruit, en houden hun hand voor hun ogen tegen het felle licht.

Als het geluid weer verstomt en het nachtelijk duister terugkeert, lijkt in eerste instantie of de bliksem niets heeft uitgehaald: geen rook, geen vonken, geen enkele aanwijzing dat de driepoot überhaupt getroffen is.

De politicus werpt een blik op de professor.

"Ehm…" begint die aarzelend, "wellicht stond de katalysator niet goed afge-"

Een vreemd geruis zwelt aan en overstemt de woorden van de professor. Hij staakt zijn uitleg en kijkt naar de blauwe en zilveren vonken die om de driepoot dansen.

"Wel, wel," Trabelart stapt naar voren. "Zo te zien heeft de bliksem wel degelijk iets voor ons achterge-"

KRAZAT!

Voor de voeten van Trabelart brokkelt een deel van het zwartgeblakerde dak af. De geur van ozon en smeulend hout vult de lucht.

"Hm…" Trabelart kijkt naar het tweetal. "Dit vereist een specialistische blik. Professor Perrants, u weet hoe de machine werkt?"

"Als geen ander. Nou ja, Attalandro wist het ongetwijfeld beter. Maar bij gebrek aan hem-"

"En u bent er zeker van dat u de bliksem eruit kunt halen?"

"Dat… is wat veel gezegd. Ik heb theorieën, maar die kunnen even foutief zijn als die van Attalandro zelf."

"Prima. Dan stel ik voor dat Anton het spits afbijt."

De dief schrikt op. "Wat? Hoezo ik?"

"Omdat de expertise van de professor simpelweg te veel waard is om in gevaar te brengen. Geen zorgen," voegt hij eraan toe bij het zien van Antons angstige blik, "de professor loodst je er vanaf hier doorheen. Nietwaar, heer Perrants?"

De professor slikt. "Het komt vast goed, Anton," mompelt hij.

In antwoord knettert de lucht om het apparaat.

"Ja," knikt Anton zwakjes, "vast."


"Gaat goed zo, Anton!"

De anderen kijken toe terwijl Anton de geladen machine nadert. Hij houdt zijn armen gestrekt, zijn knieën gebogen, en zet iedere stap met de bal van zijn voet, klaar om weg te schieten.

Achter hem aan loopt lijfwacht Lev, kruisboog in de aanslag.

"Rustig maar, rustig," met kalmerende gebaren probeert Anton de driepoot te bezweren. Hoe dichterbij hij komt, hoe duidelijker voelbaar de statische lading rondom het koperen object blijkt. De haren op Antons arm staan overeind, en als een kleine vonk van zijn linker- naar zijn rechterhand schiet, kan hij een klein gilletje niet onderdrukken.

"Schiet op!" snauwt Lev achter hem.

"Anton!" roept Perrants. "De bliksem zit opgeslagen in de kast! Je kunt die manipuleren met het controlepaneel!"

"Je hoort de professor!" Lev duwt het wapen vooruit en prikt Anton in zijn rug met de vlijmscherpe pijlpunt.

Anton richt zich op de driepoot, nu nog een meter van hem vandaan. Hij neemt diep adem, en reikt met zijn rechterhand door de geladen lucht. Hij doet zijn best om de vonken en het geknetter te negeren, totdat zijn vingers trillend het handvat aan het raster raken.

Wie is daar?

"Wat?"

"Wat?" herhaalt de man achter hem. Anton draait zich om, en realiseert zich dan dat de stem die hij hoorde niet die van de lijfwacht was. Die staart hem nu verward en agressief aan.

"Niks," mompelt Anton. Hij draait zich weer om en haalt met een snelle beweging het raster vóór de koperen kast open. Daarbinnen zit de bliksem…

"Wat zie je, Anton?" Perrant moet roepen om het gerommel van het onweer te overstemmen.

"Hoe kom ik bij de bliksem?" roept hij over zijn schouder.

De bliksem komt wel bij jou. Laat je maar vangen, jongen, dan doe ik de rest wel.

Deze keer weet hij het zeker. De stem komt uit de machine.

"Anton!" roept Perrants, en zijn toon doet vermoeden dat hij zichzelf herhaalt. "De lampen! Welke branden er?"

Anton schudt met zijn hoofd, en concentreert op de serie gloeilampen.

"De eerste drie zijn aan. Nummers vier en vijf knipperen. Zes is gedoofd!"

"Heel goed!" roept de professor. "Anton, ik wil dat je het volgende doet: doe je handschoenen aan, en zet de schakelaars onder de knipperende lampen om. Als lamp één, twee of drie nu gaat knipperen, zet je die ook om. Als lamp zes aan gaat, moet je eerst het ventiel losmaken, en…"

Anton hoort het niet meer. Hij luistert naar een andere stem. Een stem die vanuit de kast komt en hem fluisterend binnenhaalt. Als vanzelf kruipen zijn vingers naar het koperen hengsel.

Laat me eruit!

"Anton!" roept Perrants. "Handschoenen! Gebruik de handschoenen!"


Trabelart knippert met zijn ogen en ziet, in het zwakke schijnsel van het oplichtend wolkendek, dat de jonge dief geen aandacht geeft aan de waarschuwing van zijn compagnon.

"Lev!" roept hij naar zijn lijfwacht. "Houd hem tegen! Hij moet de handschoenen aan!"

Lev knikt en steekt zijn arm uit om de jongen tegen te houden.Hij raakt Antons met ijzer beslagen riem precies op het moment dat Anton het koperen hengsel vastgrijpt.

KRAZAAM!

Een witte flits doorbreekt het nachtelijk duister, en even is het tableau op het dak van het gebouw voor de wijde omgeving zichtbaar: de driepoot die de bliksem uit de geopende kast spuwt; Anton die als geleider de bliksem doorgeeft met ogen die naar achter rollen en haar dat begint te smeulen; de bliksem die tenslotte toegang vindt tot het lichaam van Lev.

KNAL!

Drie, vier meter verderop landt Lev op zijn rug op het leistenen dak. Anton zakt bij de driepoot ineen.

Het duister wint weer aan terrein, het gerommel neemt af, en op het dak is een nieuw geluid te horen: een zacht, hoog gelach, afkomstig van de op zijn rug liggende lijfwacht.

"Hahahaaa!" giert Lev, harder nu. De grote man houdt zijn handen omhoog, boven zijn gezicht, en staart naar de geblakerde vingertoppen alsof hij nog nooit zoiets moois heeft gezien.

Verderop, bij de driepoot, ligt Anton op zijn buik, zijn armen plat naast zijn lichaam. Rook stijgt op van zijn rug en kringelt dampend omhoog, de geladen lucht in.

"Anton!" Perrants snelt op zijn jonge handlanger af.

Trabelart knarst met zijn tanden, en stapt dan op zijn eigen werknemer af. "Lev? Ben je in orde?"

Lev richt nu zijn ogen op Trabelart. De grijns op zijn gezicht verandert niet, maar de blik in zijn ogen verstart. Hij steekt één hand uit naar Trabelart, duim en wijsvinger vooruitgestoken.

"Lev?"

KRAZAT!

Voor een derde keer vliegt de bliksem over het dak, deze keer vanuit Levs vingertoppen. Trabelart weet op het laatste moment opzij te springen. Achter hem slaat de bliksem in, en reduceert een schoorsteen tot smeulende brokken baksteen.


Perrants heeft het lichaam van Anton bereikt. Aan het gekreun kan hij horen dat de jongeman nog niet zo dood is als hij lijkt. Voorzichtig draait hij hem om. Antons kleding en haren zijn geblakerd en geschroeid en hij staart blind uit zijn ogen. Maar hij is bij bewustzijn.

"Anton?" vraagt de professor, terwijl hij de ogen van zijn handlanger inspecteert. "Hoe gaat het, jongen?"

"De machine, Casper," weet Anton gepijnigd uit te brengen. "Hij zat erin!"

"Wat? Wie?"

"Attalandro! Hij zat in de driepoot!"

"Anton, je ijlt. Attalandro kwam om bij het experiment. Hij is dood, jongen. Je hebt een optater gehad, maar-"

"HELP!"

Perrants kijkt verschrikt om, en ziet hoe de politicus probeert weg te krabbelen van Lev, die vanuit zijn vingertoppen blauwe en gele flitsen op hem afvuurt.

"Oh," zegt de oude man. "Verdraaid."


Trabelart gilt als hij over de omhoogstekende punt van een leistenen tegel struikelt, en languit op zijn gezicht terecht komt.

"Hebbes!"

Trabelart kijkt omhoog, naar het grijzend gezicht van Lev die Lev niet meer is. Deze keer weet de politicus dat er geen ontsnappen zal zijn aan de bliksemslag.

"Nog laatste woorden?"

"NEEE-"

Klunk!

De lijfwacht gaat tegen de vlakte, en de ontlading uit zijn arm schiet het nachtelijk duister in.

"-EEEeeee…"

Trabelart kijkt over de gevallen gedaante heen, naar de briesende professor Perrants. Die houdt de gedeukte driepoot nog in zijn handen, en torent boven de neergeslagen Lev uit.

"Ik denk…," zegt de professor hijgend, "…dat we de voorwaarden van onze samenwerking… nog eens moeten… heroverwegen. Wat u, heer Knook?"

De politicus knippert een paar keer, met zijn bril half op zijn neus, half op zijn kin. Hij kijkt naar de plas bloed die om Levs hoofd groeit, en weer naar de professor.

Hij knikt.


De bliksemaffaire wordt snel door Trabelart afgehandeld: binnen een uur staat een klein legertje werkkrachten klaar om de stoffelijke resten van de lijfwacht te ruimen, de schade aan het dak te herstellen en het erop te laten lijken alsof er nooit iets gebeurd is. Een arts ontfermt zich over Antons brandwonden, en verzekert zich ervan dat de jonge dief geen hersenbeschadigingen heeft opgelopen.

"Het had erger kunnen aflopen, jongen," zegt de professor terwijl hij zich naast Anton laat zakken tegen de opstaande dakrand. De academicus voelt de spieren in zijn rug, schouders en armen branden, en hij besluit stilletjes om het zwaaien met loodzware koperen constructies voortaan aan jongere mensen over te laten.

Hij kijkt naar de levenloze gedaante van Lev, die door twee mannen op een draagbaar wordt gelegd. Even had de lijfwacht het intellect van 's werelds grootste uitvinder gedragen, gekoppeld met krachten om die van de goden te evenaren. Heel even maar.

"Het had erger kunnen aflopen," herhaalt de professor zachtjes.

Anton knikt terwijl hij met zijn ogen de vinger van de arts volgt, van links naar rechts en weer terug. Zijn zicht is langzaam teruggekeerd, en hoewel zijn irissen wel in brand lijken te staan heeft de arts hem ervan verzekerd dat hij geen blijvend oogletsel aan de knal over zal houden.

"Hier komt onze weldoener," gromt Perrants. Anton volgt zijn blik en ziet dat Trabelart zich losmaakt uit een kluwen van zijn werknemers, en op het duo afstapt.

"Rustig aan, Casper. Ik denk dat Trabelart veel voor ons kan betekenen, als we onze kaarten goed spelen."

De professor snuift. "Omdat ik heb voorkomen dat hij tot een hoopje houtskool omgetoverd werd. Anders had hij ons met evenveel liefde over de dakrand gekieperd."

"Heer Perrants," zegt de politicus, "heer Grevel. Ik hoop dat u geen blijvend letsel heeft opgelopen?"

"Volledig gezond," beaamt de arts, "voor zover de medische wetenschap kan uitwijzen. Als u het goed vindt, mijnheer, kijk ik ook nog even naar u."

"Later, later," wuift de politicus de arts ongeduldig weg. Die maakt een kleine buiging en geeft de drie mannen privacy.

Perrants kijkt Trabelart aan, Trabelart kijkt naar zijn voeten, en Anton kijkt om beurten naar beide mannen.

"Ik denk," zegt de politicus langzaam, "dat ik jullie dankbaar moet zijn."

"Een kantoor, een riant salaris en eigen uren," stelt Anton.

Trabelart fronst. "Dat lijkt me wat overdreven."

"Het was bijzonder makkelijk geweest voor ons," zegt Anton zacht, "om er in de verwarring met zijn tweeën vandoor te gaan. Met de driepoot."

Trabelart richt zijn duistere blik op de jonge dief.

"Het leek er immers ook op dat u de situatie volledig in de hand had," voegt die er met een kleine glimlach aan toe.

"Een kantoor, een riant salaris en eigen uren," herhaalt Perrants.

"En de machine verdwijnt voorgoed," voegt Anton eraan toe.

De twee mannen kijken hem aan.

"Moet ik het echt uitleggen?" zegt Anton geïrriteerd. "De geest van Attalandro zit in die driepoot. Of in de bliksem, maar de driepoot haalt hem er weer uit. We hebben er nul controle over, en als we de machine gebruiken komt de geest van die maniak ongetwijfeld op den duur weer in een lichaam terecht. Met de gave om bliksem rond te slingeren."

Trabelart neemt een keer diep adem. "Oké," zegt hij, "De machine verdwijnt. En wat jullie betreft: ik… ik ben niet ondankbaar. Jullie hebben mijn leven gered. Ik heb nog wel een experimenteel bedrijfje, waar jullie goed zouden passen als, laten we zeggen, creatieve consultants."

Anton en Perrants kijken elkaar even aan.

"Klinkt goed," zegt de professor.


"Voorzichtig daarmee!" sist de professor de twee verhuizers toe die een koekoeksklok de trap af manoeuvreren. Het is het enige meubelstuk dat de tocht met de kratten vol boeken en geschriften mee zal maken. De rest van het meubilair – aftands, met veel schroeiplekken – blijft achter.

"Rustig maar, Casper," probeert Anton zijn handlanger gerust te stellen. "Die mannen weten wat ze doen."

"Ik vertrouw er anders voor nog geen vijf cent op dat ze 'm heelhuids naar mijn nieuwe woning brengen."

"Onze nieuwe woning," herinnert Anton hem. "Maar als je je zo'n zorgen maakt: waarom ga jij niet alvast vooruit, met de klok mee? Ik sluit wel af."

"Weet je het zeker? Zorg je ervoor dat de rest van de spullen… verdwijnt?"

Anton knikt. Even lijkt Perrants te twijfelen, maar dan klopt hij zijn jonge zakenpartner bemoedigend op de schouder.

"We gaan de goede kant op, Anton. De rijkdom tegemoet, jij en ik."

Anton wacht tot de voetstappen van de professor niet meer te horen zijn. Dan draait hij zich om, en stapt hij het appartement in. Daar staat de driepoot, kromgebogen door de klap op Lev, omringd door alle bijbehorende schetsen, notities en schema's.

Anton kijkt naar het tafeltje naast de deur, naar de flessen olie en de tondeldozen.

Hij kan een lach niet onderdrukken.

"Een apparaat dat mensen de kracht geeft bliksem te besturen… veel te gevaarlijk…"

Hij knipt in zijn vingers.

KRAZAT!

Terwijl achter hem de paperassen vlam vatten, loopt de man die Anton Grevel was de trap af.

"Een nieuwe baan, een nieuw appartement, een goed salaris," mijmert hij. "Dankjewel, Anton. Wij komen er wel."


Wouter van Gorp (1990) is naast zijn beroep als docent klassieke talen werkzaam als schrijver van fantasy, sci-fi en historische fictie. Hij heeft boeken in eigen beheer uitgegeven en bij uitgeverijen en schrijft korte verhalen en romans. Zijn verhalen, of die zich nu afspelen in de Oudheid, de ruimte, een zelfverzonnen rijk of in een (versie van) onze hedendaagse werkelijkheid, bevatten altijd de nodige dosis humor.

Na zijn debuutroman The Wanderers - part I: Spinner’s soldier (2015), het eerste deel van wat een Engelstalige epic fantasy-reeks zal worden, heeft Van Gorp zich gericht op het schrijven van korte, Nederlandstalige verhalen. Hij schreef voor, en behaalde hoge plaatsingen bij, de verschillende verhalenwedstrijden die Nederland rijk is. In 2018 verscheen zijn tweede boek, een verhalenbundel getiteld Schemerwoorden.

In 2018 heeft Van Gorp zich aangesloten bij de schrijverscoöperatie en uitgeverij Nimisa Publishing. In 2019 zal een tweede editie van Schemerwoorden verschijnen bij deze uitgeverij.

Tekst: Wouter van Gorp (Facebook)

Afbeelding: Pam Hage

Become a Patron!

Steun schrijvers van verhalen en nieuwe ontwikkelingen van Vonk op Patreon. Het kan al vanaf $1.