Vleeshandel

Eddie A. van Dijk

24 juli 2019

De jongen omhelsde zijn Lee-Enfield-geweer alsof het een knuffeldier was en keek op naar Ferdinand van onder de rand van zijn kaki pet. De blik in die blauwe ogen, doorweven met groen, haast turquoise, was een nieuwe ervaring voor Ferdinand. Verwondering, respect en eerbied schenen door de angst heen.

Om hen heen persten soldaten zich tussen de met planken gestutte wanden van de loopgraaf. Ergens achter de linie donderde de artillerie. Aan de andere kant van het niemandsland klonken explosies als antwoord. Zodra de stilte viel zouden Ferdinand, de jongen en al die andere soldaten over de rand klauteren en waarschijnlijk dood gaan. Alweer.

'Sorry, sir?' vroeg de jongen. Sir, ondanks dat ze dezelfde rang hadden en dezelfde functie als kanonnenvoer. Aan het front telden naast de markeringen op je schouders ook de doodsfiches rond je nek.

'Wat moet je?' Ferdinand probeerde bruusk te klinken, hard, te verbergen dat hij genoot van de blik in die ogen en het ontzag in die stem.

'Doet het pijn? Doet het erg pijn, het sterven?'

Ferdinand snoof. 'Tuurlijk doet het pijn.'

Tranen welden op in die turquoise ogen. De jongen drukte het geweer nog dichter tegen zijn lichaam.

'Maar,' voegde Ferdinand haastig toe, 'het is een pijn die je vergeet als je weer leeft.' Omdat het herboren worden, met vuur in je aderen, gestreeld door de bliksemschichten van de teslaspoelen in het veldhospitaal, vele malen erger was. Dat hoefde de jongen nu niet te horen. Hij zou het vanzelf merken. Ferdinand wist hoe het was, aankomen aan het front vol dromen van roem en glorie. Ze hadden hem nog beloofd dat hij voor de kerst thuis zou komen en als held onthaald zou worden. Dat was ruim anderhalf jaar geleden. 'Hoe heet je, jongeman?'

'Johnny,' begon de jongen maar hij hernam zich, 'Jonathan Benjamin Barker.' Hij bracht een saluut.

Ferdinand probeerde een warme glimlach op zijn gezicht te krijgen. Hij wist nog niet hoe dat moest, daar was zijn gezicht te nieuw voor. 'Nou, Johnny, de kunst is natuurlijk om niet te sterven.' Hij trok de ketting met zijn identificatieplaatje en zijn doodsfiches, twee schijfjes met uitgestanste schedels, onder zijn uniform vandaan. 'Wat jij gaat doen is achter mij blijven. Nog één keer sterven en ik mag naar huis.' Het was zoet en deugdelijk om voor het vaderland te sterven, maar iedereen was het er over eens dat drie keer toch echt genoeg was. 'Laat mij die kogels vangen, en vergeet niet,' hij tikte met zijn wijsvinger op de klep van Johnny's pet, 'om je hoofd naar beneden te houden. Geen brein, geen leven.'

'Ja, sir!'


Het drong langzaam tot Ferdinand door dat het geen artillerievuur was dat hij hoorde maar de voetstappen van zijn bovenbuurman. De schaduw van de man gleed over de kieren in de zoldering. Hij was, net als Ferdinand, een veteraan: drie keer gestorven, drie keer herboren, terug verscheept naar Engeland met een medaille, een schouderklop en een in elkaar geflanst lichaam. Ferdinand wist dit zonder de man ooit gesproken te hebben. Je kon het horen aan zijn oneffen tred.

Hij wierp het beddengoed van zich af en schoof zijn benen over de rand van het bed. Ferdinand wreef de slaap uit zijn ogen en de herinneringen uit zijn kop terwijl de warmte uit zijn lichaam sijpelde. Zijn pensionkamer had net genoeg ruimte voor een bed, een stoel en een tafeltje. Arseengroen behang probeerde van de muren weg te kruipen. Stof dwarrelde in het ochtendlicht dat door de aangevreten gordijnen de kamer binnenschoot.

Zijn blik viel op het papier dat op de stoel lag, bovenop zijn kleren. De sierlijke letters verzochten hem om zich vandaag, woensdag twintig september in het jaar onzes Heren negentienhonderd en zestien, te melden op het landgoed van de familie Collinsworth.

Ferdinand schuifelde tussen de wand en het bed naar het tafeltje waarop een scheerspiegel, bedekt met een theedoek, op hem stond te wachten. Hij hield zijn hand boven de theedoek, krulde zijn vingers tot een vuist, ontspande ze weer en rukte de doek van de spiegel.

Hij keek neer op zijn reflectie.

Het waren de ogen die hij niet kon uitstaan; nog minder dan de littekens die zijn gezicht veranderden in de kaart van een obscuur drielandenpunt, minder dan de plukken haar die in verschillende kleuren ontsproten uit zijn scalp. Het ene oog was donkerbruin onder een wenkbrauw die met een liniaal getrokken leek, het andere was turquoise onder een boog rossig haar. Johnny's oog. Het keek hem aan met diezelfde verbaasde blik als toen ze stierven, Johnny en hij, naast elkaar in de modder, alsof Johnny niet kon begrijpen waarom Ferdinand hem had laten sterven.

Ferdinand ontvouwde het scheermes en hield het voor zich zodat het in de weerspiegeling Johnny's oog bedekte. Hij zou het ding uit zijn kop kunnen snijden, zichzelf ontdoen van die beschuldigende blik. Hoeveel pijn kon het doen? Meer dan doorboord worden met kogels? Meer dan herboren worden? Meer dan iedere keer dat oog in de spiegel zien? Het zou makkelijk zijn: het mes onder het oog, een snelle beweging en plop. Johnny's oog begon te trillen, de oogleden persten zich samen en trokken de rest van Ferdinands gezicht mee. Hij drukte de muis van zijn hand in zijn oogkas tot het onding tot rust kwam.

Hij zuchtte, maakte het scheermes nat in de waterkom, tikte het af tegen de rand en begon de stoppels tussen zijn littekens weg te schrapen.


Het grind knarste onder Ferdinands voeten. De wegglijdende kiezels maakten zijn tred ongemakkelijk. In tegenstelling tot zijn bovenbuurman had hij het getroffen wat benen betreft; ze hadden vrijwel dezelfde lengte. Toch merkte hij op deze verschuivende ondergrond het verschil.

Aan weerszijden van de oprijlaan doemden witte paardenkastanjes uit de mist op, hun omhoog geheven takken kaal en donker. Ze stonden afkeurend van hem afgewend. Zij waren oud leven, gedurende decennia verwrongen tot monsters. Er was tussen hen geen plaats voor een misbaksel dat in een flits geschapen was.

De oprijlaan eindigde bij granieten treden die leidden naar een gotische portiek. Aan weerszijden van de portiek strekte het landhuis zich uit, in de mist geschetst door het licht dat door de ramen glipte. Op de deur luierde een demonenkop met een ring in de bek waar de condens vanaf droop. Ferdinand pakte de klopper, sloeg die driemaal tegen het eikenhout en veegde zijn hand af aan zijn broek.

De deur werd open gedaan door een man die geboren leek om butler te zijn of, waarschijnlijker, ervoor was gemaakt. Hij was lang en statig, met benen die te lang waren voor zijn lijf. Zijn witte haar was strak naar achter gekamd.

'Hoe kan ik u van dienst zijn?' Het accent van de man was al net zo gemaakt als zijn lichaam.

'Ferdinand Owen,' zei Ferdinand. Hij wroette in de zakken van zijn slobberjas. 'Ik heb een uitnodiging van vrouwe Collinsworth.'

De butler pakte het papier aan, bekeek Ferdinand van top tot teen en trok een wenkbrauw op. 'Pardon meneer. Ik weet dat het vervelend is, maar u snapt dat ik moet vragen om…'

'Ja, ja. Natuurlijk.' Ferdinands hand verdween nogmaals in zijn jaszak en verscheen met een tweede document. Op het papier was een foto geplakt van een ongemakkelijke Ferdinand in zijn onderbroek. Het gaf de garantie, in naam van koning George de Vijfde, dat het brein in het lichaam op de foto dat van Ferdinand Owen was.


De butler nam Ferdinands jas en pet in beslag en liet hem achter in een nachtmerrie. De eikenhouten muurpanelen van de salon waren bedekt met spiegels die zijn aanblik terugkaatsten. Tussen de spiegels hingen portretten van generaties aan Collinsworths. Statige mensen, in hun netste kleding, met de lichte waas van inteelt en andere kenmerken van adel. De verstilde blikken bekeken elkaar en hun spiegelbeelden.

Ferdinand zocht een schilderij uit en staarde ernaar. Alles om maar niet in die spiegels te hoeven kijken. Er stond een jonge vrouw op afgebeeld, mager en bleek, in een zwarte jurk. In haar donkere krullen waren parels verweven. Ze keek ietwat naar beneden, niet naar haar weerspiegeling maar naar hem. Haar grijze ogen keken triest en weemoedig, vol medelijden voor de lapjesman die voor haar stond.

'Oh, Ferdinand! Wat hebben die Hunnen met je gedaan?'

Ferdinand schok op bij het horen van de hese stem.

Vrouwe Collinsworth schreed de kamer binnen. Ze was nauwelijks nog menselijk te noemen. Haar huid was vervangen door de schubben van verschillende reptielensoorten, gearrangeerd in sierlijke patronen. Haar handen waren vervaardigd uit roofvogelklauwen. Puntige tanden glinsterden achter geschubde lippen. In plaats van haar had ze zwarte veren, met hier en daar een schittering van geel en rood. Haar ogen waren bloedrood met irissen als zandstormen. Ze was een wezen dat de oude Grieken hadden nagelaten te vermelden in hun mythen. Zelfs de jurk die ze droeg, leek van Olympus te zijn neergedaald.

Ferdinand maakte een overdreven buiging. 'De Duitsers hebben mij alleen gedood.' Hij gebaarde naar zijn lichaam alsof het niks bijzonders was. 'Dit is wat doorgaat voor Brits vakmanschap aan het front.'

Het contrast tussen de twee lichamen, het zijne en dat van Collinsworth, was schrijnend. Het een geboren uit haast en noodzaak, het ander een kunstwerk. Ferdinand had zo'n lichaam kunnen hebben, wist hij. Als zijn vader nog leefde. Als zijn vader ook voor zichzelf een nieuw lichaam had vervaardigd. Maar nee. 'Een kunstenaar moet geen kunst willen zijn,' was, tussen de hoestbuien door, zijn vaders antwoord op Ferdinands smeekbeden.

Collinsworth klakte afkeurend met haar tong. 'Schandalig, echt schandalig.'

'Ik heb met liefde mijn leven gegeven voor koning en vaderland.' Ferdinand slikte de brok weg die die leugen achterliet. Johnny's oogleden trokken samen. Hij negeerde het en hoopte dat Collinsworth het zou zien als een ongepaste knipoog.

'En wat doe je nu je terug bent?'

'Ik ben nog aan het rondkijken naar de mogelijkheden.' Johnny's oog trilde in protest.

'Dan hoop ik dat ik je daarbij kan helpen, jongeman.'

Ferdinand deed zijn handen achter zijn rug en keek op naar het schilderij. 'U weet toch dat ik niet meer in de vleeshandel zit?' Niet meer sinds hij het wegkwijnen van zijn vader niet langer aan kon zien en naar het front vluchtte. Liever de dood van duizenden, van zichzelf, dan die van zijn vader. 'Ik heb weinig contacten meer in die wereld.'

'Oh, daar ben ik me van bewust. Het gaat me om je smaak, je oog voor detail, proporties. Jij en je vader waren daar altijd beter in dan alle andere vleeshandelaren.' Collinsworth aarzelde. 'Ik wil een nieuw lichaam. Je moet beseffen dat ik meer dan tevreden ben met dit meesterwerk van je vader.' Ze sprak snel, alsof ze het excuus eruit wilde hebben. Ze zuchtte, kwam naast Ferdinand staan en keek op naar het schilderij. 'Vind je haar aantrekkelijk?'

Ferdinand keek naar de knokige schouders die uit de jurk rezen, de grauwe huid, de ingevallen wangen. 'Ik ben niet de persoon om daar een oordeel over te vellen.'

'Een uiterst politiek antwoord.' Ze reikte naar het canvas en raakte teder de schildering aan. 'Dit was ik, ooit. Toen er alleen nog maar geruchten uit Ingolstadt kwamen over die wonderlijke nieuwe ontdekking. Ik was fragiel, zwak, een groot deel van mijn jeugd aan het bed gekluisterd. Gedoemd om jong te sterven, zeiden de doktoren. Mijn vader dacht daar anders over. Ik was een van de eersten die naar het continent gingen om de behandeling te ondergaan, om herboren te worden door de bliksem.' Ze slikte. 'Ik dacht altijd dat ik de ziekte had achtergelaten in Beieren.' Haar klauwen krasten het vernis. 'Het brein. De ziekte heeft al die tijd gesluimerd in mijn brein. De dokters zeggen dat ik nog maar een paar jaar te leven heb en ik ben bang dat ze deze keer gelijk hebben.' Ze wendde zich af van het portret. 'Ik ben dol op dit lichaam, maar ik wil die laatste jaren menselijk zijn. Zo goed als het kan. Een jong lichaam, heel en gaaf, geen bouwsel.'

Ze gaf een envelop aan Ferdinand. Hij viste er een foto uit. Het deed hem denken aan de foto in zijn identiteitsbewijs, behalve dat het wezen dat erop stond volmaakt was, voor zover hij dat kon zien in de grijstinten. Een naakte vrouw met volle rondingen en ogen die van de foto spatten en hem doorboorden. Zijn maag verkrampte, zijn adem stokte.

'Is ze niet perfect?'

'Ja,' stamelde Ferdinand, 'ja.'

'Echter, een foto is maar een foto en de handelaar die haar vond heeft, naar wat ik vernomen heb, een twijfelachtige reputatie. Ik wil dat iemand die ik vertrouw haar gaat bekijken en goedkeurt voordat we verder gaan met deze exercitie. Als je vader nog geleefd had dan…' Ze slikte de rest van de woorden in. 'Je zal rijkelijk beloond worden.'

Ferdinand knikte zonder zijn ogen van de foto af te wenden.

'Dan is dat geregeld. Je ontmoet haar over drie dagen in Londen. Walter zal je de rest van de informatie verschaffen.' Collinsworth liep naar de deur waaruit ze verschenen was.

'Wacht, voordat u vertrekt. Wie is de handelaar?'

'Ene Nash. Charles Nash.'

Ferdinand onderdrukte een vloek.


Achter de ruiten van de bus gleden de straten van Londen voorbij. De stad was veranderd, zoals die altijd veranderde. In Ferdinands jongere jaren was de stad bijna gestikt in de paardenstront. De automobiel had Londen gered, dat ronkende, rook spuwende apparaat dat de paarden aan het verdrijven was. Het kletteren van hoefijzers op de kasseien werd tegenwoordig overstemd door het snorren van verbrandingsmotoren. De oorlog had zijn eigen veranderingen teweeg gebracht. Amper drie weken geleden hadden de zeppelins de stad weer bereikt en hun bommen laten vallen. De herinnering was af te lezen aan de zwart geschilderde bovenkanten van de straatlantaarns, de dichtgetrokken gordijnen en het luchtafweergeschut dat in Victoria Park samen met de bomen naar de hemel reikte.

Ferdinand leunde met zijn hoofd tegen het glas, zijn hand op het geruststellende staal van de Webley MK VI, zijn dienstrevolver, in zijn jaszak. Hij onderdrukte de neiging om de foto van de vrouw tevoorschijn te halen. Iedere keer als hij zijn blik afwendde van de wereld buiten de bus protesteerde zijn maag. Daar had hij drie resurrecties geleden nooit last van gehad.

Haar naam was Aileen, wist hij nu. Hij probeerde de kleur van haar ogen te raden. Aan Nash wilde hij niet denken. Charles Nash, het roofdier van de Boerenoorlog dat zijn jacht op vlees nooit had opgegeven. Het was haast een sprookje. Een schone dame gevangen door een monster en hij onderweg om haar te redden. Behalve dat hij ook een monster was en geacht werd te oordelen of zij een geschikt offer was voor een verloren zuster van Medusa.

'Bow Road!' riep de chauffeur.

Ferdinand bedankte de man en stapte uit. Hij gunde zich de vrijheid om zich uit te rekken, lucht naar binnen te zuigen en de loomheid van de busrit uit zijn hoofd te drijven.

Hij liep Bow Road af met de ondergaande zon in zijn rug. De brede laan, een doorvoerader voor dit deel van Londen, was geflankeerd door woonhuizen die de buitenwereld afweerden met borsthoge muurtjes en sporadische struiken en bomen. Winkels met hun uithangborden en luifels braken door de burgerlijke façade heen. Op de muren, in de ramen en de winkeletalages hingen propagandaposters met leuzen als 'Geef van uzelf voor de jongens aan het front!' en 'Iedere vinger kan een trekker overhalen!' De vraag naar vlees aan het front was onverzadigbaar. Ferdinand dook dieper zijn flodderjas in, trok de kraag omhoog en zijn pet naar beneden, versnelde zijn pas en negeerde de buitenwereld tot hij het uithangbord had bereikt dat zijn doel markeerde. Op het bord stonden de woorden 'Black Swan Public House'.

De gordijnen, ramen en muren van de pub konden het leven binnenin niet tegenhouden. Het geluid dat uit de kroeg kwam leek een uitdaging richting de Duitsers, een schunnig gebaar naar de hele godvergeten oorlog. Ferdinand deed de deur open en werd overspoeld door het lawaai. Gepraat. Gelach. Geschreeuw.

Iedere pub was anders maar toch hetzelfde en de Black Swan was geen uitzondering. Tabaksrook hing tegen het plafond en kleefde aan het licht. Verf bladerde van de houten bar en versiersels. Groepjes klanten zaten rond tafels die voor de ramen waren opgesteld, apart en toch een bruisend geheel. Een groep soldaten, bijna allemaal herboren, zat in een hoek rondom een grammofoon en zong luidruchtig mee met de trillende stem van Henry Burr

'I wonder who's kissing her now, wonder who's teaching her now? Wonder who's looking into her eyes, breathing sighs, telling lies…'

Ze zongen uit de toon, zonder enige vorm van harmonie, maar hun gezang was rauw en oprecht.

Een andere groep soldaten smiespelde in een taal waar Ferdinand geen touw aan vast kon knopen. Naast hen zaten vrouwen die na een dag hard werken in de fabriek vonden dat zij ook het recht hadden verdiend op een pint. Aan de bar praatten de vaste klanten over hun zoons en kleinzoons die over de hele wereld waren uitgezonden.

Het wezen dat zichzelf Nash noemde zat aan het uiteinde van de bar in een luwte in de levendigheid en keek met leeuwenogen naar de mensen. De brug van zijn neus was plat en breed, wat het katachtige versterkte. Puntige hoektanden staken onder zijn bovenlip uit. Extra spierlagen op zijn nek en schouders trokken zijn shirt in vreemde vormen en ondersteunden zijn te lange armen. Op zijn wijs- en middelvingers zaten klauwen die bijna even lang waren als de vingers zelf. Alles in Ferdinand schreeuwde om uit de buurt te blijven van het beest.

Hij dwong zijn voeten te bewegen. 'Charles Nash?' Hij kon zijn zenuwen bijna uit zijn stem houden.

Het beest keek op en ontmoette Ferdinands blik. Zijn ogen waren gouden schijven omringd door duisternis. Nash sloeg het restant van zijn bier achterover, veegde zijn slagtanden af aan zijn mouw en gebood de barman met een geklauwde vinger om een nieuw glas te brengen.

'En wie moet jij wel niet voorstellen?'

'Ik ben Ferdinand Owen; ik ben hier namens mevrouw Collinsworth.'

'Ah, de keurmeester. Het lef van die vrouw dat ze mijn waar laat keuren door…' Hij griste de verse pint van de bar en gebaarde ermee richting Ferdinand. Bier klotste over de rand. 'Wacht, Owen? Theodore Owens joch?' Hij bulderde het uit. 'Maar dat is een goede. Ouwe Theo z'n zoon in zo'n lichaam. Wat moet hij daar wel niet van denken?'

Ferdinand beet op zijn onderlip. 'Mijn vader is niet meer.'

'Oh,' Nash keek in zijn glas en humde. 'Goed. Je vader was een klootzak. Sorry dat ik het zeg.'

Ferdinand kon hem geen ongelijk geven. 'Ik ben hier niet om het over mijn vader te hebben. Waar is Aileen?'

'Boven, in een van de gastenkamers.'

'Zullen we dan?'

'Eerst mijn bier opdrinken en daarna wellicht nog een. Je wacht maar.'

Ferdinand ging op een kruk zitten en gebaarde naar de barman die zich aan de andere kant van de bar in veiligheid had gebracht. 'Collinsworth heeft nog een laatste aanpassing,' Hij keek hoe zijn bier getapt werd, zodat Nash Johnny's oog niet kon zien. 'Ze wil dat ik, na goedkeuring, indien er goedkeuring komt, jullie begeleid naar de kliniek.' Johnny's oogleden trilden. 'Om te garanderen dat de waar niet beschadigt onderweg.'

'Dat is niet de afspraak.' Nash duwde zichzelf omhoog, spande zijn spieren, klaar om Ferdinand naar de keel te vliegen. 'Die oude slang!'

De kroeg viel stil. Alle blikken waren gericht op het beest in hun midden. Alleen Henry Burr bleef zingen.

Ferdinand reikte in zijn jaszak naar het staal. 'Het is dat of de afspraak gaat niet door.' Johnny's oog gaf de barman een onwillekeurige knipoog.

Nash zakte terug op zijn kruk en gromde.


De trap kraakte onder Nash' gewicht. Hij wankelde, uit balans gebracht door het bier. Het maakte het beest bijna menselijk.

Ferdinands hart bonkte sneller en de kramp in zijn maag werd heviger met iedere trede. Wat als het beeld dat hij had opgebouwd van Aileen verbrijzeld zou worden op het moment dat de deur open ging? Wat als Aileen ogen had als ieder ander, als die helderheid slechts een illusie van lichtval en cameralenzen was?

De trap kwam uit op een overloop, met aan de zijkant twee deuren en aan het uiteinde een waarop het woord 'private' stond. Achter die deur lachten kinderen en verhief een vrouw haar stem.

Nash klopte op de eerste deur.

'Kom binnen.' De stem had een dik Iers accent, warm en melodieus.

De kamer deed Ferdinand denken aan zijn pensionkamer. Hij had hetzelfde dofgroene behang, een bed, een tafel, een stoel. Geen spiegel, gelukkig. Aileen zat op de stoel met een bijbel op schoot. Ze lachte Ferdinand en Nash tegemoet.

Haar ogen waren niet zoals Ferdinand ze zich had voorgesteld. Ze waren mooier. Ze schenen met de kleur van een heldere herfsthemel tussen de kastanjebruine krullen die om haar gezicht vielen.

Aileen stond op en legde het boek achter zich op de stoel. 'Dus jij bent de keurmeester.'

'Dat woord zou ik niet willen gebruiken.'

'Het is wat het is. Dat begrijp ik ook wel,' ging Aileen verder, 'gezien het geld waar we het hier over hebben. Goede God, zo veel geld.'

Ferdinand dacht aan het bedrag dat hij gekregen had voor zijn diensten. Collinsworth was gul zoals alleen een aristocraat met niks te verliezen kon zijn. 'Dat wil ik graag geloven.'

'Charles,' Aileen richtte zich tot Nash, 'wil je ons een moment alleen gunnen?'

Nash trok zijn bovenlip omhoog. 'Geen denken aan.'

Vorst trok over haar herfstogen en gaf ze een kille intensiteit die Nash deed weg kijken.

Hij gromde: 'ik sta buiten de deur.' Hij plaatste een hand tegen Ferdinands borst en duwde hem tegen de muur. Zijn klauwen schraapten Ferdinands keel. 'Eén piep en ik scheur je aan zoveel stukken dat niemand je meer in elkaar kan zetten.'

Ferdinand keek Nash in de ogen. 'Ik ben er net als iedereen hier bij gebaat dat deze zaak zo snel en soepel mogelijk verloopt.'

Nash liet Ferdinand los, verliet de kamer en trok met een binnensmondse vloek de deur achter zich dicht.

'Zo.'Aileen zette haar handen in haar zij. 'Hoe wil je dit aanpakken?'

'Tja,' Ferdinand kuchte, wreef over zijn keel, 'ik zal toch echt alles moeten zien.'


Aileen trok haar jurk weer over het hoofd. 'Mag ik je een vraag stellen Ferdinand?'

'Uiteraard.'

'Doet het pijn, het herboren worden?'

Johnny's stem echode door Ferdinands hoofd. 'Doet het erg pijn, het sterven?' Het beeld van een vragend, beschuldigend oog in modder en bloed flitste voor zijn ogen.

'Ja, nogal.' Hij schudde zijn hoofd om het beeld eruit te krijgen. 'Ik heb zelf niet meegemaakt hoe het gaat in een kliniek. Sterven lijkt me daar niet zo pijnlijk, in slaap gesust worden door opiaten.' Dat moest beter zijn dan de dood die over het slagveld donderde. 'Het herboren worden, ja, dat doet pijn. Geboren worden doet denk ik altijd pijn. Het is alleen dat we ons de eerste keer nooit herinneren.'

Aileen pakte de bijbel op. 'Charles wilde er niet over praten.'

Ferdinand knikte begripvol, verbaasd dat hij zich kon inleven in Nash' houding. 'Het is een ervaring die moeilijk te beschrijven is aan mensen die het niet hebben meegemaakt, en als je het hebt meegemaakt dan hoeft het niet besproken te worden.'

Ze stonden een moment stil. Aileen keek naar de bijbel, Ferdinand keek naar haar.

'Waarom doe je dit?' vroeg hij uiteindelijk. 'Waarom je lichaam verkopen aan de hoogste bieder?'

'Het hoogste bod was wel erg hoog.' Ze veinsde een glimlach.

'Er is altijd een risico dat de procedure niet werkt, weet je. Het gaat ieder jaar minder vaak fout, maar toch. Is het geld het risico waard? En het lichaam van Collinsworth is, nou, je weet niet of het je zal bevallen.'

'Ik doe het voor mijn broer en zussen. Het geld gaat grotendeels naar hen. Ik doe dit zodat ze een opleiding kunnen volgen, of emigreren, of zoiets. Zodat ze niet verhongeren of hun familie moeten zien verhongeren zoals mijn ouders en hun ouders en hun ouders. Daar heb ik alles voor over. Leven in een vreemd lichaam, sterven, de hel.'

'De hel?'

Aileen wreef met een hand over de bijbelkaft. 'De pater thuis zegt dat herboren worden een zonde is. "Een duivelse parodie van de wederopstanding."'

'Het haalt de glans wel van een wonder als iedereen het kan.'

'En er bewust voor kiezen, dat is zelfmoord.' Ze dwong een lach over haar lippen. 'Maar volgens de pater ben ik toch al bestemd voor de hel, dus wat maakt het uit.' Ze wierp de bijbel op het bed.

'Ik denk…' begon Ferdinand.

'Als je het niet erg vindt,' onderbrak Aileen hem, 'dan wil ik graag even alleen zijn.'


De pub ging in naleving van de voorschriften van de regering om half tien dicht. De soldaten, oudgedienden en anderen dropen af. Ferdinand had de barman kunnen overtuigen om hem beneden op een stoel te laten slapen, gezien Aileen en Nash de enige gastenkamers hadden bezet. Collinsworths geld had veel overtuigingskracht. Hij had de kroegbaas geholpen met de tafels afnemen, stoelen op tafels en barkrukken op de bar zetten, de vloer vegen en alles wat verder nodig was om een pub klaar te maken voor de volgende dag. De kroegbaas had zich teruggetrokken in zijn privévertrekken en Ferdinand had een stoel en een hoek uitgezocht. Hij zat, wachtte en luisterde naar de voetstappen, schuivende stoelpoten en net niet verstaanbare gesprekken die van boven kwamen.

De pub, een plek die zo vol leven was geweest, hoorde niet zo leeg te zijn.

Ferdinand kon Aileens ogen niet uit zijn gedachten verdrijven. Hij probeerde zich voor te stellen hoe Collinsworth, stervend en levensmoe, uit die ogen zou kijken. Al dat leven zou uit die herfsthemel onttrokken zijn. Hij rilde. 'Over mijn lijk,' mompelde hij. Hij haalde zijn revolver uit zijn jaszak, duwde de cilinder los en liet zijn duim over de bodems van de kogels glijden. Boven hem waren de laatste tekenen van leven weggevallen. Met een klik drukte hij de cilinder terug op zijn plek. Hij spande de haan, ontspande hem weer. 'Wacht tot morgen,' zei hij tegen de lege kroeg, 'wacht godverdomme tot morgen.' Hij legde de loop in de lengte tegen zijn voorhoofd, het staal koel tegen de littekens, en dacht aan Nash die boven lag te slapen. Met een kreun hief hij zichzelf uit de stoel en liep richting de trap.

Bij iedere trede, iedere zucht en steun van het hout, stopte hij, hield zijn adem in, vocht tegen de drang om zijn vinger op de trekker te leggen. Op de overloop stond hij stil voor Aileens deur maar hoorde niks. Door naar de deur waarachter Nash ronkte. Zijn hand hing een moment boven de klink. Hij kon nog terug, naar beneden gaan, wachten tot morgen, tot na het telefoongesprek met Collinsworth. 'Ze is precies wat u verwacht,' zou hij zeggen. Dan onderweg naar de kliniek…

Hij deed de deur langzaam open. Met het vuurwapen voor zich uit glipte hij de gastenkamer binnen.

Nash lag over het bed gedrapeerd als een hond in een te kleine mand. Zijn borst ging op en neer met grote teugen lucht die er met een brommend geluid uitgeperst werden. Achter hem, door het raam, waren nog net de daken van Londen te zien, afgetekend tegen het doffere zwart van de betrokken lucht.

Een licht vlamde op tussen de daken.

De klap volgde een tel later.

Ferdinand verstijfde. Hij kon het beeld niet bevatten. Het zou niet mogen dat iets dat thuishoorde aan het front opdook in de echte wereld. Een tweede vuurbal verlichtte een zilveren splinter in de lucht.

Nee. Geen splinter. Een luchtschip dat tegen de wolken aanhing.

Vier explosies volgden elkaar, geroffel op een immense drum. Het was een luchtaanval, besefte Ferdinand, en het luchtschip kwam zijn kant op.

De massa spieren, klauwen en slagtanden op het bed murmelde iets en verschoof zijn gewicht. Ferdinand stapte terug de gang in en trok de deur achter zich dicht. 'Shit, shit, shit.' Het ritme van zijn vervloekingen werd beantwoord door de bommen.

Aileens deur ging open en ze kwam naar buiten in haar nachtjapon. Ze knipperde met haar ogen. 'Meneer Owen? Wat is er aan de hand?' Haar blik viel op het wapen in zijn hand. Ze fronste.

Ferdinand pakte haar arm en trok haar mee richting de trap. 'Het zijn de Duitsers. Luchtaanval! We moeten weg hier.'

'Maar…'

Ferdinand gaf haar geen kans om te spreken, maar leidde haar de trap af het café door. De explosies deden de flessen en glazen achter de bar rinkelen. Ferdinand sjorde aan de deur maar die weigerde open te gaan. In paniek keek hij rond. Stoelen en krukken vielen op de grond, de ramen trilden. Hij dook ineen, duwde Aileen naar beneden en bedekte haar zo goed en zo kwaad als hij kon met zijn lichaam. De ruiten spatten uit elkaar. Glas regende op hem neer. Scherven sneden door zijn jas en shirt en in zijn huid. Kozijnsplinters ketsten op hem af. Hij negeerde de pijn, hielp Aileen overeind en duwde haar over de vensterbank de straat op.

Een brul trok Ferdinands aandacht richting de trap.

Nash leunde met een hand op de bar. Zijn klauwen groeven in het hout. Zijn ontblote bovenlichaam was een wirwar van littekens, spieren en botten verwrongen in onmenselijke vormen. 'Jij vuil stuk oorlogsafval.' Hij nam een stap naar voren. Glas kraakte onder zijn blote voeten. 'Aileen is van mij. Mijn vlees!' Het beest begon te rennen, op handen en voeten, een roofdier in de aanval. Glas spatte op. Meubels werden aan de kant geworpen.

Ferdinand richtte de revolver op Nash en haalde de trekker over. Hij raakte hem in de borst en wist nog een schot te lossen, dat Nash' bovenbeen schramde.

Het leek Nash niet te deren. Hij haakte zijn klauwen in Ferdinands maag en wierp hem door het raam.

Ferdinand landde op de kasseien met een klap die zijn ribben deed kraken en de lucht uit zijn longen dreef. De revolver schoot uit zijn handen, kletterde over de stenen. Boven hem hing Nash in de lucht, klauwen gespreid, mond verder opgesperd dan mogelijk zou moeten zijn, slagtanden ontbloot. Achter hem dreef het luchtschip. De rafelende stof van gebarsten gaszakken flapperden in de wind. Zoeklichten streelden de zilveren huid.

Nash landde bovenop Ferdinand, klauwen aan weerszijde van zijn hoofd.

Een wolk van steengruis, stukken hout, glas en lawaai raasde over hen heen.

Ferdinands werkelijkheid flikkerde aan en uit.

Nash duwde zich overeind, een klauw op Ferdinands borst. Bloed stroomde van zijn voorhoofd en drupte langs een slagtand. Hij likte het op met een te lange tong. 'Dacht je dat je haar zomaar van mij kon afpakken?'

Ferdinand snakte naar adem. Het gewicht van Nash maakte het onmogelijk zijn longen te vullen. Lichten dwarrelden voor zijn ogen.

Nash bracht zijn vrije klauw naar Ferdinands gezicht en hield de punt vlak voor Johnny's oog. 'Wat zei ik? Kleine stukken.'

Een plopgeluid trilde door Ferdinands schedel. Een spijker van pijn stak door zijn kop vanuit de oogkas waar Johnny's oog in had gezeten.

Een klik, een haan die gespannen werd. 'Laat hem gaan, Charles.'

Aileen hield de loop van Ferdinands revolver tegen Nash' hoofd.

Nash keek op en lachte. 'Oh meisje, waarom doe je nou zoiets doms… En voor wie? Dit stuk slachtvlees?'

Aileen keek neer op Ferdinand. Haar ogen waren bevroren. 'Ik heb hem nodig,' zei ze. 'Hij moet zijn goedkeuring nog geven.'

Ferdinand knikte. Er stroomde iets over zijn wang. Tranen, bloed, het restant van Johnny's oog?

Nash maakte een geluid dat net zo goed een grom als een lach kon zijn.

Het schot voegde zich bij het ritme van de bommen. Stukjes bot, bloed en hersenen spatten in Ferdinands gezicht. Nash zakte ineen.

Aileen trok hem onder het lijk vandaan en hielp hem overeind. Hij haalde schurende, krakende ademteugen naar binnen.

De Black Swan was veranderd in een ruïne. Mensen uit de buurt kwamen aangerend en begonnen brokstukken weg te tillen, op zoek naar de kroegbaas en zijn gezin. Ferdinand kon zich niet voorstellen dat ze het overleefd hadden.

Aileen keek van de revolver naar Nash' lichaam en schudde het hoofd. 'We moeten hier weg, iets aan dat oog laten doen. Daarna bel je Collinsworth en breng je me naar haar.' Haar ogen glinsterden in het licht van de lantaarns van de reddingswerkers.

'Ja,' zei Ferdinand. Een leugen, natuurlijk, maar er kwam geen stuiptrekking, geen trilling, geen protest van Johnny's oog. Het onding kon hem niet meer verraden. Hij glimlachte door de pijn heen en pakte Aileens hand. Ze mocht nooit in Collinsworths klauwen vallen. Hij zou alles zeggen, alles doen om daarvoor te zorgen, want één ding wist hij zeker: Aileens ogen waren de ogen die hij iedere ochtend in de spiegel wilde zien.


Eddie A. van Dijk (1980) maakte, dankzij een voorlezende vader, op jonge leeftijd kennis met het sciencefictiongenre. Dat was het begin van een levenslange fascinatie voor verhalen in al hun verschijningsvormen en de fantastische genres in het bijzonder. Het zal niemand verbazen dat hij zou uitgroeien tot een echte nerd. Na een IT-opleiding volgde een poging om het lot te tarten met een studie geschiedenis, maar uiteindelijk is hij toch in de IT beland. Enkele jaren geleden trad hij in de openbaarheid met zijn eigen schrijfsels. Dit leidde tot top tien noteringen bij de Harland Awards verhalenwedstrijd: een zevende plek met “Het Laatste Licht” in de 2016 editie en een derde plek met “Vleeshandel” in de 2018 editie.

Tekst: Eddie A. van Dijk

Redactie: Anna Mattaar

Afbeelding: Pam Hage

Become a Patron!

Steun schrijvers van verhalen en nieuwe ontwikkelingen van Vonk op Patreon. Het kan al vanaf $1.