9/26/2020

Delfts grauw

Mascha Schoonakker

1.

Me-lan-cho-lie. Melancholie. Jacob roerde met zijn lepel door zijn kom gortepap, het woord in gedachten herhalend tot het zijn betekenis verloor.

Het komt door de lever. De barbier-chirurgijn wees bij zichzelf zijn buikholte aan. Die maakt te veel zwarte gal aan waardoor de vier lichaamssappen in onbalans zijn.

En nu?

Jacob keek tersluiks naar zijn moeder, die haar handen voor haar schort had samengevouwen als in een stil gebed.

Laten lachen, dat helpt bij de afvoer. En rust, gezonde voeding... De man liet zijn blik door de kamer gaan, langs de ontkleurde meubels, de grauwe wanden, de somberheid van het geheel, en voegde er weifelend aan toe: Een beetje kleur misschien?

Zijn moeder boog gegeneerd haar hoofd.

Meer kan ik nu niet doen, maar mocht het erger worden, schroom dan niet om mij er weer bij te halen.

Natuurlijk.

De barbier-chirurgijn knikte Jacob toe bij wijze van afscheid. Dag, jongeman.

Jacob zweeg. Hij volgde de man met zijn ogen toen zijn moeder hem voorging naar buiten, en liet zich van zijn stoel afglijden. Stilletjes liep hij om de tafel heen. Marietje. Hij schoof het gordijn van de bedstede opzij.

Ze lag met haar rug naar hem toe gedraaid, in haar vuist een punt van het laken geklemd dat ze tot aan haar kin had opgetrokken. Haar huid was zo bleek dat die nauwelijks te onderscheiden was van het vaalwitte laken.

Hij ging op de rand van de strozak zitten en vouwde zijn vingers om de hare. Haar hand voelde koud, kwetsbaar. Haar gezicht was veel te bleek, ontdaan van de lichtgrijze blos die normaal haar wangen sierde, en wanneer ze haar ogen geopend had, lag er een doffe waas in verscholen.

Melancholie.

Mensen hadden zich verhangen door die ziekte. Hij had zelfs gehoord over kwakzalvers die gaten in hoofden boorden om de demon die erin huisde te verwijderen.

Schuilde er een demon in haar hoofd?

Hij streek een grauwe lok uit haar gezicht, liet de streng tussen zijn vingers door glijden en kleurde hem in gedachten in. Wit en geel gemengd, met een heel klein beetje bruin, donkerder bij de haarwortels, lichter naar de puntjes toe.

Jacob.

De kleuren spoelden weg uit zijn gedachten.

Je zus heeft rust nodig. Zijn moeder gaf hem een duwtje om hem van de strozak te verjagen en trok het gordijn dicht. Ga maar buitenspelen.

Een gebrek aan rust was hier het probleem niet, dat wist zij net zo goed als hij. Het probleem lag daarbuiten, buiten hun grauwe bestaan. Wat was begonnen met een ongeloof die zijn zus en hij allebei gevoeld hadden, was bij Marie uitgegroeid tot een bittere jaloezie. Het had aan haar gevreten, tot ze vanbinnen helemaal hol geworden was.

Nee, wat ze echt nodig had, dat kon hij haar niet geven. Dat was alleen voor de rijken die het konden betalen.

Het geklingel van een bel weerkaatste tussen de muren van de Schiedamse en de Rotterdamse poort, om vervolgens weg te sterven in de Kolk, de zuidelijke haven aan de Schie. Het teken voor de veerman om te vertrekken.

Jacob keek de afmerende schuit na, in zijn hand een takje geklemd dat hij als een penseel over de muur liet gaan. Vanwaar hij stond, in het midden van de Kapelsbrug, had hij een goed zicht op de bedrijvigheid in de haven. Hij bestudeerde de schepen, de trekschuiten, elk veer dat vanuit Rotterdam kwam. Scheepsjongens laadden en losten, kapiteins schreeuwden bevelen, kinderen renden langs de kade achter een verdwaalde kip aan…

Grijs, grijs, alles was grijs.

Hij bewoog de tak driftig over de stenen en tekende de contouren van de Rotterdamse poort in onzichtbare lijnen. Een paardenwagen denderde over de ophaalbrug, rakelings langs een groep nonnen. Hij tekende het tafereel en voegde in gedachten de schuit toe die zojuist onder de Kapelsbrug door vaarde, diep in het water gelegen door de zware potten pigmentpoeder die hij vervoerde.

De boot zelf was ongekleurd, net een tint donkerder grijs dan het water, waardoor de pigmentpoeders direct in het oog sprongen. Blauw naast oranje, geel naast paars, groen naast rood. Primaire en secundaire kleuren, bestemd voor de verkoop in Rotterdam, want na twee decennia van kleurloosheid was Delft niet langer de enige zwart-witte stad. De kleurenhandelaren zagen de dukaten al rollen met de plotselinge verdriedubbeling van hun klantenkring en hadden meteen de prijzen omhoog gegooid. Alweer.

De tak brak. Jacob scheurde zijn blik los van de handelaar en wist met moeite zijn hand te ontspannen. Jaloezie en Woede waren hoofdzondes. Als hij niet uitkeek, kreeg de ziekte van Marie ook hem te pakken.

Zuchtend gooide hij de tak in het water en draaide zich om.

Een veeg hemelsblauw.

Zijn ademhaling stokte.

Bruine gebouwen, rode daken. Donkergroene bladeren aan de bomen.

Hij wreef in zijn ogen, keek opnieuw.

Een glinstering op het doek verraadde dat de verf nog niet helemaal droog was en het korte moment van vreugde dat hij voelde bij de gedachte in kleur te kunnen zien, ebde weg. Hij stond naar een schilderij te kijken. Het doek was op een trekkar geplaatst, leunend tegen een schildersezel en zo groot dat het er alleen gekanteld in paste. De schilder zat er op zijn hurken naast en rommelde met een van de wielen die klaarblijkelijk kuren vertoonde.

Hoewel het doek verre van af was – details ontbraken nog – herkende hij er de twee stadspoorten in, op de voorgrond De Kolk en in de verte zelfs de Nieuwe Kerk die als een ivoren toren overal bovenuit stak.

Waar hij zich echter aan vergaapte waren de gebruikte kleuren. Als hijzelf naar de haven keek, en de grijstinten vertaalde naar werkelijke kleuren, dan was dat wat hij op dat doek zag, precies wat hij voor ogen had.

Vind je het mooi? vroeg de schilder. Hij draaide aan het verbogen wiel en als een tegenwicht van het kleurrijke doek, bestond hij juist uit armoedig zwart-wit. Zijn mantel was zwart, zijn overhemd en kanten kraag wit, zijn huid grauwig en zijn ogen en schouderlange haar even donkergrijs als het water in De Kolk. Alleen bij zijn nagelriemen vertoonde hij wat kleur; blauwe en rode verfschilfertjes die hij nog niet weggepoetst had. Het lijkt nog nergens op, natuurlijk.

U ziet kleur, zei Jacob zacht.

De schilder gaf een ferme ruk aan het wiel en brak het af. Hij staarde er fronsend naar, wierp het vervolgens in de kar tussen kwasten, glazen potten met verf, water en zand, en flacons met meer exotische pigmenten. Geen kleur, zei hij toen hij overeind kwam. Ik zie de verschillende nuances in de grijstinten. De stad is zwart-wit, maar hier… Hij tikte tegen zijn slaap. Hier zie ik alles in kleur.

Dat klonk zo bekend. Hijzelf deed precies hetzelfde met zijn onzichtbare tekeningen, iets wat Marie nooit had gekund. Zij zag alleen het grijze dat ze had, en de kleuraccenten die ze niet kon krijgen. Zij zag oneerlijkheid in elk spatje kleur waarin hij een wonder zag.

Het is prachtig. Jacob volgde de lijnen van de gebouwen zonder het doek aan te raken. Er zit alleen geen schaduw in. Hij trok zijn hand terug en nam het schilderij in zich op. Of iets van leven. Het is te leeg.

De schilder glimlachte. Details komen later. Eerst bepaal ik waar alles moet komen, de rest vul ik in mijn atelier in. En het doek moet drogen. Hij trok voorzichtig aan de kar, die door het ontbrekend voorwiel al bij de lichtste schok vervaarlijk kantelde.

Jacob hief zijn handen om het doek op te vangen, mocht het vallen. Wat gelukkig – of helaas – niet gebeurde.

Hm. De schilder krabde zich achter zijn oor en keek achterom, vervolgens wat onbeholpen naar hem. Wil je twee stuivers verdienen?

Jacob drukte het met verfvegen besmeurde palet tegen zijn overhemd en omklemde met zijn andere arm een paar pigmentpotten. Zijn broekzakken puilden uit van de flacons, in zijn beide handen zoveel penselen dat hij zijn vingers er nauwelijks omheen kreeg.

Nog nooit had hij zoveel kleur zo dichtbij zich gehad, en glunderend volgde hij in het kielzog van de schilder over de Lange Geer. Kinderen speelden op straat met loden snorrebotten en lieten het orkest van gezoem wegsterven om te kijken. Hij rechtte trots zijn rug, deed klusjes voor een echte schilder, voor twee hele stuivers.

Ondertussen nam hij gretig alle indrukken in zich op. Zo vaak kwam hij niet in het Westelijke deel van Delft, zijn moeder had het liever niet, al helemaal niet sinds Marietjes ziekte hier ontkiemd was. De mensen waren er te… bontgekleurd, te uitbundig, en iemand die was opgegroeid in de soberheid van het Oostelijke deel, waar elke stuiver gekoesterd werd en iedereen opging in zijn omgeving, stapte in Delft West een heel andere wereld in. Een wereld waarin kleuren je van alle kanten toeschreeuwden dat je hier misplaatst was met je grijstinten, waarin mensen je achterdochtig nakeken en subtiel hun hand over hun beurs heen plaatsten.

Geen wonder dat Marie er ziek van geworden was. Zelfs de grachtenpanden waren gekleurd, alsof de eigenaars niet wisten wat ze met hun geld moesten en het daarom maar tegen de muren van hun huizen smeten. Luiken en deuren waren beschilderd, de stoep werd geschrobd met verf en overal stonden tulpen in kleuren die hij niet eens bij naam kon benoemen.

Uiterlijk vertoon had zich hier heel slinks in het rijtje levensbehoeften weten te werken, vlak onder huisvesting, bier en voedsel.

En toch… als je beter keek dan klopte het niet.

Een paars geverfd paard passeerde hem. De wagen die het dier voorttrok was rood, oranje, roze. Kleuren die zo erg met elkaar in gevecht gingen dat het pijnlijk werd om naar te kijken.

Zelfs de mensen werden al snel pijnlijk om naar te kijken. Zowel vanwege de onnatuurlijke kleuren, als door het verkeerde gebruik ervan. Ze leken niet gezien te hebben dat niemand in werkelijkheid opgebouwd was uit één kleur, dat er altijd een samenspel was van verschillende tinten, en daar waren ze faliekant de mist mee in gegaan. Ze verfden hun haar in een en dezelfde kleur, poederden hun gezicht egaal roze, maar echte huidskleur was niet roze. Het was wit vermengd met rood en geel en een heel klein beetje bruin.

Triest, vind je ook niet? vroeg de schilder, en Jacob verdoezelde haastig zijn afschuw. Ze willen een natuurlijke verschijning, maar worden daarmee een karikatuur van zichzelf.

Dat kon hij helaas alleen beamen.

Op de Oude Langedijk werd kleur al iets schaarser, al was het nog steeds in de kleine dingen aanwezig. Veelal waren alleen de luiken en deuren gekleurd, met hier en daar een fleurige bloem die tussen de kinderkopjes door piepte. Verder hadden de straten, bruggen en grachten weer gewoon de grauwe uitstraling die hij gewend was.

Ter hoogte van de Jacob Gerritstraat haperde hij in zijn tred. De wijk die voor hem lag herkende hij als de Papenhoek, waar de Katholieken woonden. Hij mocht daar helemaal niet komen. Toch liep hij door, tot de schilder niet veel later zijn schilderij tegen een van de huizen plaatste.

Jacob blies onhoorbaar zijn adem uit en volgde zijn voorbeeld. De verf op het palet had een cirkel van veelkleurige stippen op zijn katoenen overhemd achtergelaten.

Hier. De schilder duwde hem glimlachend twee stuivers in handen. Bedankt voor je hulp.

Traag vouwde Jacob er zijn vingers overheen. Eigenlijk mag ik hier niet komen.

De glimlach vervaagde, waardoor de schilder iets sombers over zich heen kreeg. Ik begrijp het, al zijn wij Katholieken stiekem niet veel anders dan jullie.

Jacob legde zijn hand over zijn broekzak, waar hij onder zijn vingers een achtergebleven flesje voelde branden. Stiekem waren ze in elk geval al beter dan hij.

Hij zette een stap achteruit. Geen getingel van glas dat hem verraadde. Sorry. Hij draaide zich om en zette het op een rennen.


2.

Voor het eerst in zijn leven had hij zich iets toegeëigend wat niet van hem was. Als zijn moeder daarachter kwam… Die trok hem aan zijn oor naar de markt om te laten zien wat er met dieven gebeurde. Verbanning. Geseling. Brandmerken.

Met klamme handen bekeek hij de inhoud van het flesje tegen het grijs van zijn handpalmen. Het fijne poeder erin was blauwer dan hij ooit gezien had, blauwer dan hij voor mogelijk achtte.

Hij sloot er zijn vingers omheen, bang ermee betrapt te worden. Zulk blauw in zulke grijze handen…

Hij moest ervan af zien te komen. Als hij het verkocht, kon hij met het geld de drie primaire en goedkopere kleuren kopen. En met de primaire kleuren kon hij de secundaire kleuren maken. En met de secundaire kleuren…

De mogelijkheden waren oneindig.

Hij opende zijn hand, vroeg zich onwillekeurig af waar de schilder het voor had willen gebruiken, en stak de flacon weg voor schuldgevoel hem op andere gedachten kon brengen.

Twee decennia geleden had Delft geen enkele kleurenhandelaar gekend, nu telde de stad er bijna evenveel als dat er bierbrouwers waren. Zodra er ergens vraag naar was, schoten de nieuwe ambachtslieden en hun werkplekken als paddenstoelen uit de grond. Jacob hoefde dan ook niet lang te zoeken voor hij een uithangbord tegenkwam met een kwast die een regenboog verfstreep over het hout trok.

Hij vertraagde zijn pas en naderde de kleurenwinkel. De luiken waren verticaal opengeslagen waarbij het onderluik diende als toonbank, daarachter het voorhuis, volgestampt met glazen potten variërend in grootte, gevuld met alle denkbare kleuren. De kleinere flacons stonden uitgestald op de toonbank, waar de kleurenhandelaar ze uitgebreid aanprees aan de schare klanten bij zijn winkel. En dit, beste mensen, zei hij langs de steel van zijn pijp, is purper. Hij toonde een flesje met een waterige substantie tussen magenta en indigo in. Een kleur van rijkdom en aanzien. Azuurblauwe rook verliet in pufferige wolkjes zijn mond. Afkomstig van de Bolinus brandaris. Hij gniffelde. Een mooie naam voor niets meer dan een zeeslak, al zijn er voor deze hoeveelheid – hij tikte tegen het flesje – wel tienduizend slakken nodig. Vandaar het prijskaartje, maar de Grieken beschouwden het niet voor niets als een koningswaardige kleur.

Duizend gulden.

Jacob sperde zijn ogen open.

De lach van de handelaar verbreedde. Iemand anders?

Meerdere handen gingen de lucht in.

De bedragen die hier uitgegeven werden waren schrikbarend, zo niet belachelijk. Jacob elleboogde zich ongelovig een weg tussen de mensen door. Van dat geld had hij een grachtenpand kunnen kopen, jarenlang voedsel voor zijn familie, gekleurde kleding, terwijl zij het uitgaven aan iets dat uit een slak kwam. Hij zette de flacon met het blauwe poeder op de toonbank neer en keek recht in het gezicht van de handelaar. In de plooien rond diens mond had zich huidskleurpoeder verzameld, waardoor elke groef duidelijker aftekende. Koopt u ook in?

Is dat ultramarijn? fluisterde iemand achter hem.

De handelaar trok de pijp tussen zijn tanden vandaan en pakte het flesje. Hij hield het tegen het licht, zijn ogen vernauwd. Grijze adertjes doorschoten het oogwit, iets wat Jacob vaker zag bij rijke mensen die in hun waanzin geprobeerd hadden hun ogen te kleuren.

Ik geef honderd gulden, klonk het op luidere toon.

Honderd gulden. Dat was bijna het jaarloon van zijn vader en in die flacon zat hooguit een paar gram. Goud van die hoeveelheid was goedkoper dan dat. Hij kon onmogelijk thuiskomen met zoveel geld zonder dat zijn moeder vragen ging stellen.

Honderdvijftig.

De handelaar zette de flacon terug op de toonbank. Hoe kom je hieraan?

Jacob verkilde door de onverwachte vraag.

Is het gestolen? De man boog over de toonbank en mepte hem tegen zijn oor. Nou?

De klap bracht Jacob uit zijn versteende staat. Hij griste het flesje van de toonbank en schoot ervandoor, tussen een wirwar van benen en rokken door.

En laat ik je niet meer zien! Of ik haal de schout erbij.

Een ruk aan zijn arm.

Hij struikelde, verdween uit het daglicht de donkerte in en knalde tegen een kast. Glaswerk rinkelde. Een deur sloeg dicht. Hij zoog zijn longen vol om te schreeuwen.

Sst, siste een stem.

Hij slikte de schreeuw in, knipperend tegen het licht toen de bovenste helft van de deur geopend werd.

Een jonge vrouw leunde tegen de onderdeur. Ze keek vluchtig de straat door en keek vervolgens hoofdschuddend op hem neer. Doe dat nooit waar de klanten bij zijn.

W-wat?

Verkopen doe je aan de achterdeur, anders krijgt mijn vader problemen. Ze hielp hem overeind en gebaarde naar de fauteuil die tussen twee kasten geklemd was. Neem plaats, dan haal ik Corneel.

Bevend zakte Jacob op de stoel. Zijn schrik maakte dat het even duurde voor hij registreerde wat zijn ogen zagen; kleur, heel veel en overal. Niet alleen pigmentpoeders, ook vloeibare substanties zoals dat purper, en kant-en-klare verf. Hij zag kleuren in hun ruwe vorm en kleuren vermalen tot korrels. Sommige herkende hij – beenzwart, scharlakenrood, oker – andere leken op wat hij kende, maar waren het net niet helemaal. Het vreemdste van alles waren de rokerige substanties, alsof de handelaar de rook van zijn pijp in een flacon geblazen had.

Hij stak zijn hand ernaar uit en zag zijn huid verkleuren in de gloed. Blauw bij het ene flesje. Groen bij het andere. Rood bij het volgende.

Ware kleuren.

Jacob trok als gestoken zijn hand terug.

De man in de opening naar het achterhuis herschikte zorgvuldig de donkerrode pluim op zijn hoed. Ik zou het niet kopen als ik jou was. Hij had om zijn schouders een mantel geslagen in een diepzwarte kleur die rijken over het algemeen niet droegen, maar dat deze man rijk was, viel niet te betwisten. Hij droeg een karmijnrood wambuis met het fijnste borduurwerk, een pofbroek die tot over zijn knieën viel en schoenen met gespen van zilver.

Het was echter zijn huidskleur die voorkwam dat Jacob beleefd zijn blik afwendde; een perfecte lichtbeige kleur waar nergens het grijs doorheen schemerde. Nergens gaf het poeder af op zijn kleding en nergens zorgde het voor die onnatuurlijke, doffe uitstraling.

Een reiziger? Reizigers vermeden Delft meestal als de pest, bang de ontkleuring mee te nemen naar hun eigen stad.

De man zette zijn hoed op en pakte een flesje met donkerblauwe inhoud. Als ik dit op je hand giet, wordt het simpelweg geabsorbeerd en ben je het kwijt. Zonde van je geld.

Waarom wordt het dan verkocht?

De man glimlachte. Waarom kopen mensen voor tweeduizend gulden een ananas?

Wat is dat?

Rimpeltjes van vermaak sierden zijn ogen. Zijn groenblauwe ogen. Hij had nog nooit iemand gezien met gekleurde ogen. Een vrucht.

Dan kopen ze die om te eten.

Dit keer lachte hij hardop. Welnee, knul. Een ananas is een statussymbool om mee te pronken tijdens feesten. Hij zette het flesje terug en wuifde naar de rijen ernaast en erboven. Net als dit. Ware kleuren zijn als diamanten die je op de schouw tentoonstelt.

Fronsend keek Jacob naar het flesje dat de man had teruggezet. Geen vingerafdrukken. Elke gekleurde rijke gaf af, op alles wat ze aanraakten. Overal in de stad waren handafdrukken te vinden, vegen krijtpoeder, verfvlekken, tot de volgende regenbui de kleuren wegspoelde en van de stad een schilderdoek maakte dat erom smeekte opnieuw ingekleurd te worden. Maar die man liet nog geen korreltje achter op een glazen flesje.

Meneer De Cooge. Een jonge man kwam het voorhuis binnen, in zijn armen een kist met pigmentpoeders. Hij zette de kist neer en veegde met zijn mouw langs zijn voorhoofd waarmee hij zijn huidskleur gedeeltelijk wegpoetste. Bent u iets vergeten?

Ik raakte verwikkeld in een interessant gesprek. De man knipoogde naar Jacob en gebaarde naar de verfvlekken op zijn overhemd. Staat je goed. Mooie kleurencombinatie, en met een laatste groet verliet hij het huis.

Jacob keek hem na. Wie was dat?

De Cooge? Leverancier van verf, pigment en ware kleuren.

Hoe wordt dat gemaakt?

De jongen haalde zijn schouders op. Ze zeggen dat hij het uit wit licht filtert en dat wit licht uit alle kleuren bestaat, maar dat lijkt me een fabeltje. Jij wilde ultramarijn verkopen, toch? Hoeveel gram?

Jacob gaf hem het flesje en de jongen liep ermee naar een weegschaal waar hij de inhoud zorgvuldig afwoog. Twaalf. Daar kan ik je een zilveren dukaat voor geven.

Zo weinig? Buiten boden ze honderdvijftig.

Dan verkoop je het buiten, maar als de schout daar lucht van krijgt dan laat hij je hand eraf hakken. Hij veegde het pigment terug in het flesje en Jacob hield wijselijk zijn mond. De afspraak is dat jij genoegen neemt met wat wij bieden en dat wij niet vragen hoe je eraan gekomen bent. Tweeënhalve gulden is meer dan genoeg, daar moet een voetbode van jouw leeftijd een maand voor werken.

Oplichters.

Meteen geneerde hij zich voor die gedachte. Het was niet eens zijn ultramarijn om te verkopen.

Hij hield zijn hand op. Dan wil ik het terug hebben.

De jongen verroerde zich niet. Een gouden dukaat.

Ik verkoop het niet.

Goed dan, twee gouden dukaten.

Jacob bleef zijn hand ophouden en met een geïrriteerde grom gaf de jongen het flesje terug. Jij bent een lastige, ik hoor het al.

Hij had hier ook helemaal niet moeten komen, en toch had het hem één ding opgeleverd. Als ware kleuren echt uit wit licht gefilterd werden, en wit licht echt uit alle kleuren bestond, dan was dat precies wat Marie nodig had. De vraag was alleen waar De Cooge het vandaan haalde.


3.

Jacob keek links en rechts de straten door, zoekend naar die zwarte mantel, hoed en rode veer. Hij liep langs grachten en grachtenpanden, langs plateelbakkerijen en brouwerijen, en als hij al had gehoopt De Cooge in de wirwar van straten te kunnen vinden dan was die hoop ondertussen allang vervlogen.

Kent u De Cooge? vroeg hij aan een dienstbode die in het zonnetje een hemd herstelde.

De meid keek op van haar werk, haar ene oog dichtgeknepen tegen het zonlicht. Wie?

De Cooge. Kleurenleverancier?

Nooit van gehoord.

Hij zuchtte inwendig, mompelde een bedankje en vervolgde zijn weg. Niemand kende de man, op een enkeling na, en die kende hem niet als kleurenleverancier, alleen als schilder of kunsthandelaar. Eén oudere dame beweerde dat hij een tulpenhandelaar was, maar wie handelde er nog in tulpen? Tulpen waren geen klap waard.

Verder was de man een mysterie. In elk geval voor de onderklasse, de enige die zijn vragen beantwoordde. De rest wierp hem hooguit een vuile blik toe; een reactie die het grauw van de bevolking nou eenmaal uitlokte bij de middenklasse of hoger.

Hij schopte een kiezel de Voldersgracht in en liet zich langs de kade neerzakken. Vanaf die plek had hij een goed zicht op het gildehuis van het Sint-Lucasgilde. Als De Cooge naast kleurenleverancier inderdaad ook schilder of kunsthandelaar was, dan moest hij daar ingeschreven staan. Met een beetje geluk kwam de man dan vanzelf een keer opdagen om zaken te doen.

Hij trok zijn knie op en sloeg zijn armen eromheen. Dit kon weleens een lange zit gaan worden.

Heel secuur tekende Jacob met zijn wijsvinger het gildehuis na op de kade en kleurde die in gedachten in. De lichtgrijze muren fantaseerde hij zachtrood, de gevel loodtingeel met zwarte, onleesbare letters, daaronder de wapenschilden.

Zijn nek prikkelde. Zijn hand viel stil. Hij keek de straat door, zag vrouwen en kinderen met lege boodschappenemmers naar de markt lopen en anderen er met volle emmers vandaan komen.

Zo. Een hand landde zwaar op zijn schouder.

Als een schuchter katje dook hij in elkaar.

Je had niet gezegd dat je schilder wilde worden, klonk het geamuseerd.

Hij herkende de stem, en keek op in het gezicht van de Katholieke schilder. Hij kreeg het abrupt ijskoud vanbinnen.

Eerst leen je mijn pigment en nu tref ik je bij mijn gildehuis.

Ik… Wat kon hij zeggen? Dat flesje ultramarijn was per ongeluk in zijn broekzak blijven zitten? Hij had het per ongeluk bijna verkocht?

Ik wil het wel graag terughebben, zei de schilder en juist die glimlach van hem – deels vermaak en deels genegenheid – maakte dat Jacob zich nog schuldiger voelde.

Het spijt me. Wat onhandig gaf hij het flesje terug, ergens opgelucht ervan af te zijn.

De schilder bekeek de inhoud tegen het zonlicht. Het zijn ook mooie dingen, die kleuren. Zeker in deze grauwe tijden. Hij stak het weg in de binnenzak van zijn mantel. Het is niet altijd zo geweest, weet je.

Alleen van horen zeggen. Zelf was hij te jong om anders meegemaakt te hebben.

Zie jij kleur in het grijze?

Jacob schokschouderde. Ik probeer het.

Dat dacht ik al. Ik zag je tekenen. Je bekijkt de wereld door de ogen van een kunstenaar, wat in deze kleurloze tijd een gave is om te koesteren. Hoe heet je?

Jacob.

Aangenaam, Jacob. Weer die aanzet tot een glimlach. Ik ben Johannes. Hij knikte naar het gildehuis. Wil je het vanbinnen zien?

Jacob aarzelde. Een deel van hem wilde dolgraag, terwijl een ander deel hem herinnerde aan zijn missie. Ik kan niet. Ik wacht op De Cooge.

Abraham? Johannes trok lichtjes met zijn wenkbrauw. Waar heb je hem voor nodig?

Kent u hem?

Natuurlijk. Hij is een kunsthandelaar, ik een schilder.

Ze zeggen dat hij alle kleuren uit wit licht kan filteren.

Johannes gniffelde. En je denkt niet dat degene die je dat heeft wijsgemaakt een grapje met je uithaalde?

Nee, ik heb het gezien. De Cooge bestaat uit ware kleuren, zelfs zijn ogen zijn gekleurd.

De schilder streek langs zijn kaak. Flinterdun geslepen glasplaatjes die hij op zijn oogbol plaatst. Ik heb het vaker gezien.

Deden mensen dat? Hij zou er niet eens verbaasd over moeten zijn. En zijn huid dan? Hij ziet er niet gepoederd of geverfd uit, dat moet zijn ware kleur wel zijn.

Ware kleuren bestaan niet, jongen. Dat wat ze op de markt verkopen is pure oplichterij, een flesje gevuld met gekleurde lucht.

Of licht, probeerde Jacob nog. Uit wit licht gefilterd.

Johannes zweeg.

Hij geeft ook helemaal niet af. Heeft u hem weleens de hand geschud?

Traag opende de schilder zijn hand en keek ernaar, wat Jacob opvatte als een bevestiging.

Gaf hij af?

Johannes schudde zijn hoofd. Hij vouwde zijn vingers naar binnen en balde zijn hand. Denk je echt dat hij uit ware kleuren bestaat?

Hij wist niet wat hij dacht, alleen dat De Cooge hem de antwoorden kon geven die hij zocht. Ja, zei hij desondanks.

Met een kort, ernstig knikje zette Johannes zich in beweging. Loop met me mee, Jacob.

Wat onwennig stapte Jacob herberg Mechelen binnen, verwelkomd door een uitbundig rumoer. Mannen lachten, rookten pijp en sloegen de ene kroes bier na de andere achterover. Hij snoof de geur op van gebraden vlees en aardappelen en keek om zich heen. Grijs. Grijze vloer, grijze muren, grijze tafels en stoelen, grijze lichtval. Het enige beetje kleur in het vertrek kwam van een handjevol schilderijen, van het bier – goudgeel van de toegevoegde kleurstoffen – en van de kleuraccenten die sommigen in hun kleding droegen.

Johannes baande zich een weg door de gelagkamer, recht op een groepje kaartspelende mannen af. Twee van hen droegen het gekleurde uniform van een soldaat terwijl de derde ongekleurd was, op zijn hoed na, waar een donkerpaarse en een lavendelkleurige pluim de welving van de hoedrand volgden.

De tafel lag bezaaid met guldens. Een van de soldaten smeet er geërgerd zijn kaarten bovenop. Je speelt vals. Ik kan je er alleen niet op betrappen.

Ach, toe. Dat roepen jullie altijd. De man met de hoed liet speels een muntstuk over zijn knokkels rollen. Nog een potje?

Johannes tikte hem tussen de schouderbladen en boog zich naar hem toe. Heb je even?

De man trok een verontschuldigend gezicht. Sorry, heren. Hij veegde de guldens bij elkaar en borg ze op in zijn beurs. Volgende keer meer geluk. In een gracieuze beweging trok hij zijn mantel van de stoel en ging hen voor naar een andere tafel.

Stop toch met die spelletjes, Pieter. Daar krijg je problemen mee.

Pieter lachte. Welnee, ik verlies nooit. Hij legde zijn hoed op tafel en nam plaats op de houten bank tegen de muur. Ik heb dat geld nodig. Pigmenten worden steeds duurder en zonder pigmenten geen schilderijen. Dat weet je.

Johannes trok een gezicht, maar bracht er niets tegenin. Hij ging aan de andere kant van de tafel zitten en gebaarde naar Jacob. Jacob, dit is Pieter. Pieter, Jacob.

Pieter leunde geïntrigeerd naar voren. Heb je dan eindelijk een leerling aangenomen?

Geen leerling. Hij zoekt De Cooge.

De Cooge? Fronsend wendde Pieter zich tot Jacob. Waarom?

Jacob keek vluchtig naar Johannes, die hem bemoedigend toeknikte. Voor zijn witte licht.

Even was er een stilte, tot Pieter een geluid maakte dat het midden hield tussen een lach en een kuch. Wit licht bestaan niet. Niet hier.

Het is er anders wel geweest. Johannes wenkte hen dichterbij te komen en dempte zijn stem. De Cooge handelde in tulpen tijdens de tulpenmanie, een handel die volledig instortte toen de kleuren verdwenen, maar is hij er echt slechter op geworden?

Hij handelde niet alleen in tulpen. Zijn kunsthandel doet het goed.

Goed genoeg om er de rijkste man van Delft mee te worden?

Pieter haalde zijn schouders op.

Hij geeft niet af, dat heb ik je al eens eerder gezegd.

Een diepe zucht, alsof Pieter al wist welke kant dit gesprek opging.

Jacob denkt dat hij uit ware kleuren bestaat.

Onmogelijk. De ontkleuring heeft alle ware kleuren weggenomen. Zelfs ik ben uiteindelijk vergrijsd en ik woon hier pas acht jaar, dat zal voor hem niet anders zijn.

Tenzij hij iets heeft wat niemand anders heeft. Johannes keek vluchtig om zich heen en vervolgde op zachtere toon: Na de tulpenmanie kwam de kleurengekte en alleen de kleurenhandelaren profiteren daarvan, maar zelfs zij hebben verf nodig om een gekleurde indruk te wekken. Wat De Cooge ook heeft, hij houdt het voor zichzelf. Dat hoort niet.

Pieter wreef langs zijn neusbrug en Jacob kon niet goed inschatten of hij het gesprek serieus overdacht, of dat het hem vermoeide.

Uiteindelijk liet hij zijn hand weer zakken. Voor een schilder is het niet verstandig De Cooge tegen je in het harnas te jagen, Jan.

Johannes kaak verstrakte. Het kan niet zo zijn dat Jacob de eerste is die dit opvalt. Die kleurenhandelaren hebben dagelijks met hem te maken, maar De Cooge levert hun kleuren en maakt hen rijk, dus kijken ze de andere kant op. Wij als kunstenaars hebben allang gezien dat hij anders gekleurd is, maar wij durven het niet uit te pluizen omdat hij onze reputatie kapot kan maken. Moeten we hem dan echt zijn gang laten gaan?'

Nee. Pieter leunde achterover, zijn armen over elkaar geslagen. Maar we moeten ook geen overhaaste dingen doen. Als ik mijn reputatie op het spel ga zetten, dan wil ik eerst verdomd zeker zijn van mijn zaak.

Beide schilders zwegen, diep in gedachten verzonken, en Jacob wachtte tot een van hen het woord weer nam.

Nou houdt De Cooge binnenkort een kunstveiling… mijmerde Johannes.

Dat zou ideaal zijn. Dat brengt ons direct tot in zijn huis.

Wanneer? vroeg Jacob.

Ze wisselden een vluchtige blik.

Wat?

Er komen geen kinderen naar kunstveilingen. Je zou opvallen.

Maar –

Johannes schudde zijn hoofd. Je hebt het goed gedaan, Jacob, maar wij nemen het vanaf hier van je over.

Jacob balde zijn handen. Ik heb jullie op het spoor van De Cooge gezet. Ik zag de ware kleuren die jullie gemist hebben. Hoe kan ik er dan op vertrouwen dat jullie het witte licht zien wanneer het pal voor je neus staat?

Jacob… suste Johannes, en die toon van hem – verontschuldigend, standvastig – vertelde hem al dat hij niet van gedachten ging veranderen.

Zoek het dan zelf maar uit. En Jacob beende weg. Als ze dachten dat hij zich liet weghouden bij die kunstveiling dan hadden ze het mis.

Die nacht viel hij maar moeilijk in slaap en starend naar het plafond van de bedstede luisterde hij naar de ademhaling van zijn zus. Zelfs de kleurrijke verfvlekken op zijn overhemd hadden haar geen reactie ontlokt.

Zijn moeder daarentegen had de vlekken er meteen uit gewassen, bang dat hij ervoor opgepakt zou worden. Zijn kostbare kleuren.

Hij draaide zich op zijn zij en legde zijn hoofd op zijn arm te rusten. Marie's ogen schoten onrustig heen en weer achter haar gesloten oogleden. Als hij het witte licht gevonden had dan was zij de eerste die hij ermee inkleurde. Met echte kleuren. Kleuren die niet weg te wassen waren. Hij zou haar verlossen van de zwarte demonen die haar teisterden, zodat ze eindelijk weer vrij kon zijn. Iedereen zou dan vrij zijn, bevrijd uit hun grauwe bestaan.

Ik ga de kleuren terugbrengen, Marie, bezwoer hij haar. Voor jou.


4.

Het enige wat Jacob wist, was dat de veiling binnenkort zou plaatsvinden, en binnenkort kon hierin van alles zijn. Een paar dagen, een week, een maand?

Dus schaduwde hij de Katholieke schilder wanneer hij kon, hopend dat die hem uiteindelijk naar de juiste plek zou leiden, zelfs als dat betekende dat hij zich in de Papenhoek moest wagen.

Na drie dagen wist hij met wie Johannes getrouwd was, wie zijn dochters waren en waar hij zijn kleuren kocht. Hij kwam erachter waar Pieter woonde en waar ze 's avonds bier dronken, maar meestal was Johannes thuis en dan stelde Jacob zich voor dat hij in zijn atelier aan het stadsgezicht werkte.

Met elke dag die verstreek, groeide de angst dat de veiling allang had plaatsgevonden en dat de schilders niet gegaan waren, of erger, dat ze wel gegaan waren, maar gefaald hadden. Tot hij Johannes laat in de middag van de vierde dag zijn huis uit zag komen en hij hem voor het eerst niet geheel in zwart-wit zag. Hij droeg een overhemd in dezelfde lichtblauwe kleur die hij ook gebruikte voor de hemel op zijn schilderij en een mantel even donkerblauw als het water.

Eindelijk gebeurde er iets.

Het huis aan de Verwersdijk dat Johannes betrad was achteraf gezien het enige huis dat bij De Cooge had kunnen passen. Het was niet ongekleurd en niet bontgekleurd, maar gekleurd naar de werkelijkheid zoals de kunsthandelaar zelf was.

Jacob keek omhoog langs de gevel, naar de enorme boogramen, verdeeld over drie verdiepingen. Gesloten, evenals de voordeur.

En nu?

Hij tuurde de straat door, hopend op een gast voor de veiling met wie hij stiekem mee naar binnen kon glippen, en bleef steken bij een man die verderop met armen zo breed als boomstammen tonnen bier van zijn paardenkar aan het uitladen was.

Heel even aarzelde hij. Toen bonsde hij op de deur en griste een vijftien liter vat van straat, verkeek zich op het gewicht ervan en blies zijn wangen bol.

De deur ging open, en met moeite toonde hij de dienstmeid zijn meest charmante glimlach. Waar naartoe, mevrouw?

De meid zette een stap opzij. De keuken.

Jacob struikelde half over het stoepje en haastte zich de gang door naar de keuken, waar de kokkin hem met de punt van een vleesmes de hoek wees. Hij zette het vat neer en veegde met zijn mouw langs zijn voorhoofd. Hij was binnen. De rest mocht de brouwer zelf dragen.

Teruglopend naar de gang waagde Jacob dit keer een blik omhoog, naar de plafondornamenten rond de kroonluchters, via de schilderijen naar beneden tot de gelakte bijzettafels met kleurrijke bloemen in Delfts blauwe vazen. Op de schilderijen na leek niets ervan geverfd. Het rook ook helemaal niet naar verf, niet naar lijnzaadolie. Elke kleur lag in zijn omgeving verankerd, in tegenstelling tot de rest van Delft waar kleur er als een dikke laag bovenop lag en het grijs erdoorheen schemerde waar de verf te dun was aangebracht.

Hoe langer hij hier doorbracht, hoe meer hij overtuigd raakte van zijn gelijk. Als De Cooge geen wit licht had, dan had hij in elk geval een andere manier gevonden om de ware kleuren terug te brengen.

Bij de voordeur schoot Jacob de trap op, zijn voetstappen gedempt door donkerrood tapijt. Sluipend over de overloop duwde hij deur na deur open, hopend het witte licht te herkennen wanneer hij het zag. Wat hij echter vond waren slaapkamers, een studeerkamer, meer schilderijen dan hij kon tellen, alles, behalve de kleuren die De Cooge leverde, en langzaamaan begon hij zich af te vragen of De Cooge zijn kleuren überhaupt wel thuis bewaarde.

Met zijn binnenste in de knoop gedraaid, beklom Jacob de volgende trap, van eikenhout dit keer en niet half zo statig als de trap in de hal. Bovenaan duwde hij voorzichtig de enige deur in het vertrek op een kier, vervolgens helemaal open. Een atelier. De luiken voor de ramen waren half geopend waardoor de ruimte opgesplitst werd in licht en donker. In het licht stond een schildersezel met een onaf schilderij en in het donker zag hij meerdere doeken, slordig met een kleed overtrokken, en kasten, gevuld met de welbekende potten, flessen en zakjes pigmentpoeders, verf, kwasten en penselen. Alles wat je in een atelier kon verwachten, en niets meer. Geen wit licht. Geen ware kleuren.

De lucht die hij inademde proefde te droog, te muf. Er was hier niets. De realisatie drukte op zijn borst en haastig zette hij een raam open voor wat frisse buitenlucht. De wind streek langs de gordijnen, blies het stof eraf. Het warrelde door de kamer, glinsterend in een smalle streep licht die over de vloerplanken danste; fel, onrustig.

Fronsend volgde hij de streep naar de andere kant van het vertrek, waar het onder de rafelige randen doorglipte van een wandkleed dat door de wind bij de benedenhoeken opbolde.

Hij trok de hoek opzij, maakte de streep breder. Het licht viel over zijn schoenen en kleurde ze donkerbruin. Hij gaf een ruk aan het kleed en onthulde een deur waar het licht onderdoor glipte, bewegelijk als maanlicht op water.

Jacob stak zijn hand ernaar uit. Hij liet het over zijn vingers vallen en zag ze voor zijn ogen beige-achtig kleuren. Aangemoedigd greep hij de deurknop en rammelde eraan, trok en duwde. Geen beweging. Hij trapte ertegen. Hij had een sleutel nodig.

Hoe dichter Jacob bij de benedenverdieping kwam, hoe luider het rumoer werd. De dubbele deuren van de grote zaal stonden open en in gedachten biddend dat niemand hem terugfloot, glipte hij naar binnen.

Klein als hij was manoeuvreerde hij zich tussen de gasten door zonder opgemerkt te worden, hun aandacht opgeslokt door de tentoongestelde schilderijen, hun wijnglazen, door elkaar en al het eten dat de ruimte doorging op zilveren platen, gedragen door bediendes. Hij rook het: het vlees dat op de binnenplaats gebraden werd, de vis, de gebrande noten. En hij zag het: de stukken kaas, het fruit, en alles in kleur. Het voedsel, de geschonken drank, de muren, de schilderijen. Ook de gasten, maar zij waren net zo misplaatst als hij. Hij door zijn gebrek aan kleur, zij door het verkeerde gebruik ervan. Hun huid en haren waren onnatuurlijk. Hun kleding vloekte en de poederlaag op hun gezicht was zo dik aangebracht dat er naast de grauwe onderlaag nauwelijks nog expressie doorheen drong. Ze waren nep. Een karikatuur van zichzelf, zoals Johannes dat eens verwoordde.

Jacob pikte een paar druiven van een van de schalen en propte ze in zijn mond, zich erover verbazend hoe zoet die smaakten.

Kijk aan, een bekend gezicht.

Hij verslikte zich en stompte zichzelf hoestend op de borst.

De Cooge gniffelde. Smaakt het, knul?

Een druif glipte tussen zijn vingers vandaan en rolde over de grond.

Wie heeft je binnengelaten?

Zijn geest blokkeerde. Instinctief zette hij een stap achteruit, en bevroor toen hij een hand tussen zijn schouderbladen voelde.

Hij hoort bij mij.

Jacob keek omhoog, recht in het gezicht van Johannes. Mijn neefje uit Gouda. Pieter stond naast hem. Hij wil ook schilder worden.

Een neefje van Vermeer? Dat belooft wat. De Cooge wenkte een bediende om hun wijnglazen bij te vullen. Wanneer schilder je eens iets voor mij, Johannes? Hij liet zijn wijn rondkolken in zijn glas en snoof de geur op. Of jij, Pieter? Een echte De Hooch zou niet misstaan in mijn collectie.

U bent altijd welkom in mijn atelier, zei Pieter. Hij bewoog zich om Johannes heen zodat hij naast De Cooge kwam te staan. Maar voor nu ben ik zeer geïnteresseerd in een aantal stukken dat hier hangt. Is dat met dat witte paard een Wouwerman? en voordat Jacob kon ingrijpen, loodste Pieter de kunsthandelaar bij hen weg.

Hij haalde knarsend zijn tanden over elkaar. Zie je wel, hij had niets aan die schilders. Ze waren alleen gekomen voor zake-

Hij zette grote ogen op toen Pieters ene hand in de zak van De Cooge's vest verdween terwijl hij met zijn andere hand naar het schilderij gebaarde.

Een kneepje in zijn schouder. Johannes drukte zijn wijsvinger tegen zijn lippen.

Jacob hield zich stil terwijl Pieter zich naar de andere kant van De Cooge verplaatste om iets op het doek aan te wijzen en hen in de wisseling van positie een sleutelring toewierp.

De ring werd door Johannes opgevangen en weggestoken onder zijn mantel. Hij gaf Jacob een zacht maar beslist duwtje in de richting van de hal en boog zich naar hem toe. Je had gelijk.


5.

Jacob wiebelde van zijn ene voet op de andere, meekijkend over Johannes' schouder. Het liefst had hij de sleutelring uit diens handen getrokken om zelf elke sleutel in het slot te rammen tot hij de juiste had gevonden. Het kon toch niet zo zijn dat geen ervan paste?

Een zachte klik. Hij bleef stilstaan, zijn adem ingehouden toen Johannes de deur opende. De witte lichtstreep verbreedde. Jacob kneep zijn ogen dicht, de binnenkant van zijn oogleden oranjerood gekleurd. Op de tast liep hij de ruimte in en botste tegen een tafelrand. Hij liet zijn handen over het blad gaan, tikte tegen een kistje en glurend tussen zijn wimpers door zag hij daarin meerdere knijpbrillen, het montuur van hout, de glazen getint.

Hij klemde er een op zijn neus. Zijn omgeving verduisterde en voor het eerst zag hij waaraan de ruimte onderdak verleende. Een enorme stolp. Hij reikte Johannes een tweede bril aan en schuifelde dichterbij tot hij zijn handen tegen het glas kon drukken. Zijn gekleurde handen. Alles aan hem was gekleurd, belicht door…

Door wat? Het ding onder de stolp was niet menselijk, niet dierlijk, en toch bewoog het, veranderde het. Het streelde langs de wanden en rolde alle kanten op. Een bol samengeperst licht, schitterend vanwege de absurditeit ervan.

Jacob volgde de welving van de stolp naar de zijkant en streek langs de buis die eruit stak, in het midden afgesloten door een klep. Hij morrelde eraan, schoof de klep opzij, en een lichtstraal dunner dan zijn pink lekte uit de stolp om vervolgens gebroken te worden in een piramide van glas.

Een prisma, mompelde Johannes, die de lichtstraal verder volgde. Een regenboog aan kleuren waaierde uit over de tafel, waar elke straal werd opgevangen in soortgelijke flacons die hij bij de kleurenhandelaar had gezien.

Jacob staarde ernaar. Hij had er nooit over nagedacht wat hij zou doen als hij het witte licht gevonden had, maar nu hij het in gevangenschap voor zijn neus zag dansen, nam zijn instinct het over.

Hij balde zijn hand en liet die neerkomen op de buis. Het broze glas versplinterde.

Voorzichtig!

Een bredere lichtstraal sijpelde de ruimte in, bijlange na niet groot genoeg. Jacob stak zijn vingers door het gat in de stolp en wrikte om het groter te maken.

Jacob.

Een ruk aan zijn kraag. Hij struikelde naar achteren, krabbelend naar het gat dat nu buiten zijn bereik lag.

Misschien is het gevaarlijk. Laat mij anders –

Jacob draaide bruusk met zijn schouders en trok zichzelf los. Hij draaide zich om.

Johannes' ogen waren gefixeerd op de lichtbol onder de stolp.

Hebzucht, de zoveelste zonde die mensen begingen voor die kleuren. Je wilt het voor jezelf houden.

Knipperend scheurde de schilder zijn blik ervan los. Natuurlijk niet.

Kleur is van iedereen. Jacob graaide het kistje met de brillen van tafel en sloeg ermee op het gat in de stolp.

Barsten schoten over het oppervlak, en schoten krakend door. Een spinnenweb dat zich steeds verder uitbreidde. De bol binnenin zwol en kromp, zwol opnieuw en zette uit. Het licht glipte tussen de barsten door en met een luide knal spatte de stolp uit elkaar.

Jacob dook ineen, voelde de scherven in zijn huid snijden, gevolgd door een zengende hitte die dwars door zijn middenrif joeg en daar bleef broeien. Zijn spieren verkrampten. Hij klemde zijn kiezen op elkaar en viel op handen en knieën op de grond.

Jacob!

Hij opende zijn ogen en de kleuren om hem heen waren gedoofd. De eerder nog bruine vloerplanken waren grijs, evenals de muren, de tafels, de kasten. Johannes. Alles was ontkleurd behalve de inhoud van de flacons, behalve hijzelf. Hij staarde naar zijn handen, naar zijn kleding. Hij was in kleur.

Voorzichtig verplaatste hij zijn handen om zichzelf overeind te helpen, en rond zijn vingers kleurden de planken bruin.

Hij trok zijn hand terug, een gekleurde afdruk op het hout achterlatend.

Johannes greep hem bij zijn arm en trok hem overeind. Ga. Een vonk van het witte licht sprong op hem over en ook hij kleurde onder de aanraking weer in. Nu.

Wat…?

Gestommel op de trap.

Johannes gaf hem een duw. Ga!

En Jacob zette het op een rennen, recht op de deuropening af, waar hij vol op De Cooge knalde. Wat is hier gebeurd?

Jacob drong zich langs hem heen.

Staan blijven!

Hij rende zonder achterom te kijken en vloog de trappen af, botste tegen bedienden op en sloeg schalen met eten uit handen. Hij rende door en wierp zich tegen de voordeur, trok hem open en rende naar buiten, zo hard als hij kon.

Hijgend duwde hij mensen opzij, rennend over de Kaakbrug, tussen visboeren door die hun vers gevangen waar aan de man probeerden te brengen. Aan de kant. Halverwege de brug waagde hij het vluchtig achterom te kijken en daar waar hij een geërgerde menigte verwachtte, zag hij verbazing. Verbazing en een gekleurd pad van iedereen die hij had aangeraakt. Gekleurde handafdrukken op hun kleding werden vlekken die zich verder uitspreidden tot de kleuring hun huid raakte, hun mond, hun ogen. Ze staarden naar hun handen, naar elkaar, vervolgens naar hem.

Jacob keek naar zijn eigen handen, draaide ze om, kon niets ongewoons ontdekken, behalve dat ze in kleur waren. Hij keek naar beneden, naar de straat, naar de gekleurde voetafdrukken die hij op de straatstenen had achtergelaten. De kleuren rimpelden als water, neigden naar lichtbruin en zonken weg in de straat, waar de kleuring zich als een inktvlek verder verspreidde.

Jij daar!

Hij verstijfde, zag De Cooge zich een weg over de brug banen.

Hij zette een stap achteruit. Weg, hij moest weg. Naar huis. Ook al liet hij een zichtbaar spoor achter dat De Cooge direct naar zijn schuilplaats zou leiden, hij kon nog wel proberen Marie te kleuren voordat hij gepakt werd.

Hier win je niets mee, jongen. De Cooge hief zijn handen terwijl hij hem behoedzaam naderde. Geef terug wat je gestolen hebt en ik zal je aannemen als kleurenhandelaar. Ik kan je schatrijk maken.

Het ging hem niet om het geld. Het ging hem om zijn zus. Om de kleurenwaanzin die iedereen in zijn greep hield. U heeft het als eerste gestolen! Jacob drukte zijn vuist tegen zijn borst. Van ons.

Ergernis flitste over het gezicht van de kunsthandelaar. Hij graaide naar hem en Jacob sprong achteruit.

Zijn hielen vonden onverwachts geen ondergrond.

De ergernis van de kunsthandelaar spoelde van zijn gezicht toen Jacob maaiend met zijn armen zijn evenwicht probeerde te bewaren.

De man reikte naar hem, als om hem terug te trekken, maar zijn vingertoppen streken langs Jacobs borst en gaven hem net het verkeerde zetje.

Hij viel. Hij viel van de brug en in een reflex zoog hij zijn longen vol voor hij het wateroppervlak doorbrak en kopje onder ging. Een van de aangemeerde vissersboten knalde tegen zijn slaap en verdwaasd zakte hij naar beneden in een smeer van rood; ondoorzichtig, dik als verf. Blauw en geel wervelden erdoorheen. De kleuren vloeiden weg uit elke porie en vermengden zich tot groen, oranje, paars.

Traag stak hij zijn hand ernaar uit. De gele verf gleed tussen zijn vingers door als een lok haar van zijn zus. Bruin. Hij had een beetje bruin nodig. Geel en rood maakte oranje, en oranje en blauw werd bruin.

Hij liet de kleuren los, hoefde niet te mengen, want straks was alles anders. Het water voerde de kleuren verder, verdreef het grauw. Hij was ondergegaan in een stad waarin kleur verkocht werd tegen belachelijke prijzen, maar als hij straks weer bovenkwam dan was dat in een stad van ware kleuren. Zoals het hoorde.

Gekleurd zand stoof op toen zijn elleboog de bodem raakte en een reeks luchtbelletjes ontglipte hem, elk in een andere kleur. Hij stelde zijn zicht erop scherp, keek hoe ze zich van hem verwijderden en tussen de bootjes uit elkaar klapten.

Als hij straks weer bovenkwam dan was alles anders.


Mascha Schoonakker is in 1990 geboren in Delft, de stad die – ondanks dat ze er maar vier jaar gewoond heeft – toch altijd een plekje in haar hart heeft gehad. Met name het Delft ten tijde van de Gouden Eeuw leek haar een fantastische setting voor een verhaal. Dit leidde uiteindelijk tot het ontstaan van Delfts grauw, een kort verhaal waarmee ze de Harland Awards 2018 gewonnen heeft.

Daarnaast heeft ze ook de Urban Fantasy Merkteken van de Dood en het vervolg daarop op haar naam staan. Dit tweeluik draait om de personificatie van de Dood. Ze voorzag hem van twee kinderen, een fulltime baan en een handjevol problemen, en de basis voor het verhaal was gelegd.

Vonk is een blog met verhalen, recensies, nieuws en opinies uit en over Nederlandstalige fantasy, sciencefiction en horror. Heb je vragen of opmerkingen, neem dan contact op via mail of Twitter.
Meer informatie over Vonk, privacy en recensies.

Redactie: Tom Kruijsen
Mail: tom@vonkfantasy.nl

Volg Vonk:
@vonkfantasy
vonkfantasy

Verhalen: magazine@vonkfantasy.nl

Je kunt Vonk steunen via Patreon. Al vanaf $1 per maand steun je dit blog en de schrijvers van de verhalen. Deze mensen gingen je voor en daarvoor zijn we erg dankbaar.

Ben je schrijver? Lees hier alles over het inzenden van je verhaal voor Vonk Magazine.