10/21/2020

Kies voor kleur

Roos van der Velden

Mijn computer zoemt zachtjes. Ik zou deze tijd goed moeten gebruiken. Ondanks alles is stroom zeldzaam, dus de Verwerkers sporen de Typisten altijd aan om de tijd dat er stroom is goed te gebruiken. Maar ja, elke Typist weet dat de Verwerkers dat alleen maar doen omdat de Controleurs tegen ze zeggen dat ze het moeten doen.

Ik zet mijn vingers op de toetsen. Over vijf seconden begin ik met typen, vertel ik mezelf. Een, twee, drie, vier, vijf zes ik staar naar het scherm en schud langzaam mijn hoofd.

Mijn blik glijdt naar de documenten op het bureau. Ik schuif ze even heen-en-weer. Als ik eenmaal begonnen ben, is het makkelijk, vertel ik mezelf. Begin maar met de eerste zin. Op het papier staan kriebelige letters die duidelijk woorden vormen. De betekenis dringt echter niet tot me door.

Mijn handen glijden van het toetsenbord af, mijn schoot in. Rusten mag niet, het is zelfs gevaarlijk. Ik sluit mijn ogen en zak een beetje onderuit. Had ik nou maar meer geslapen. Ik ben zo moe. Maar vanmorgen heb ik al drie pagina's afgemaakt, dat is meer dan vereist. Waarschijnlijk zal zelfs een minuutje rust niet onopgemerkt gaan, maar ik kan het niet laten om even mijn ogen te sluiten.

De wereld achter mijn gesloten oogleden is even grijs als de reguliere wereld. Ik probeer me te concentreren op mijn huis, in de hoop dat mijn gedachten niet de verkeerde kant op zwerven. Net zoals elke andere Typist woon ik in een van de lage flatgebouwen. Ze zijn gebouwd in lange rijen. De gebouwen zijn grijs, net zoals de straten, ramen, kantoren en de lucht. In elk flatgebouw zitten meerdere appartementen, die er exact hetzelfde uitzien. Aan de binnenkant zijn de gebouwen ook grijs. Mijn appartement heeft een bed, een tafel, twee stoelen de meubels die nodig zijn, meer niet. Mijn enige luxe is een net iets betere douche dan sommige andere Typisten en een stokoude zwart-wit-televisie (Niet dat er nog kleuren-tv bestaat. De meeste mensen weten geeneens wat kleuren-tv is. Kleuren bestaan niet, laat staan dat je ze op de televisie zou kunnen zien). Alles wat grijs kan zijn is grijs, zelfs het voedsel wordt zo grijs mogelijk gemaakt

Ik schrik als ik de tomaat voor me zie. Er zat nog een klein, klein beetje rode kleurstof in. In mijn hoofd begint het rood uit te dijen. Het wordt roder en roder, de tomaat wordt groter en groter.

Snel open ik mijn ogen en schiet ik overeind. Ik kijk om me heen. De computer is grijs, de muren zijn grijs, mijn tafel is grijs. Ik haal opgelucht adem. Ik kan niet op reis op mijn werk, ik mag geeneens rusten op mijn werk. Zo snel als ik kan begin ik te typen.

Ik probeer mijn aandacht volledig bij de tekst te houden. Binnen een uur behaal ik het dagelijkse quotum, maar ik ga door. Anders zak ik weg.

Na anderhalf uur gaat mijn tempo omlaag. Ik moet mijn vingers laten rusten. Snel strekken moet kunnen zonder te reizen. Ik haal mijn trillende handen van het toetsenbord af. Mijn ogen hou ik strak op de muur gericht terwijl ik even adem haal en mijn vingers beweeg.

Mijn oogleden sluiten een moment. Ik wil niet aan de tomaat denken, maar ja, je denkt meestal onmiddellijk aan dat waar je niet aan mag denken. Ik zie nu een grote, rode, sappige tomaat voor me, met een kroon die exact de juiste kleur groen heeft. Ik voel dat ik begin te watertanden. Ik wil mijn handen uitstrekken en de tomaat grijpen, zodat ik mijn tanden er diep in kan zetten. Wat zou zo'n tomaat goed smaken

Typisten! Ik schiet overeind door de stem van de Verwerker, gevolgd door een opgelucht gevoel. Hij weet het niet, maar de Verwerker heeft me gered. Hij vouwt zijn handen achter zijn rug en begint rustig door de zaal te lopen, zogenaamd om te kijken of we hulp nodig hebben. Ze noemen het dan wel ondersteuning, we weten allemaal dat hij is gekomen om te controleren of we nog efficiënt genoeg zijn, of iedereen wel zit te typen op het voorgeschreven tempo en of niemand zit te dromen.

Ik typ op een gemiddeld tempo een paar woorden als de Verwerker langs mijn bureau loopt. Hij loopt door in het juiste, efficiënte tempo, maar knikt wel even naar me.

Ik zou blij moeten zijn. Slechts weinig medewerkers wordt verteld dat ze gewaardeerd worden. Ik ben er ook blij mee, prent ik mezelf in. Op de werkvloer ben ik er dolblij mee.

Als de acht-uur-bel eindelijk rinkelt, sta ik als een robot op. Mijn spieren zijn stijf na de lange dag achter het bureau, maar ik moet morgen pas weer naar het gymnastiek uurtje toe. Via de snelste weg loop ik het gebouw uit, net zoals alle anderen. Onderweg spreek ik met niemand en spreekt niemand me aan. Ik kijk zelfs niet naar de andere Typisten, Verwerkers, Controleurs of wie dan ook. We hebben allemaal een simpel, voorgeschreven doel. Voor mij is dat direct naar huis gaan, om te eten, te slapen en het nieuws te kijken.

Aan de zijkant van het gebouw staat een groep Speciale Opruimers. Met hun lichamen schermen ze iets dat op grond ligt af. Niemand let erop - dit is niet de eerste vlieger waar we van gehoord hebben. Elke dag is er minstens een die het niet langer uithoudt in de grijze massa.


Terwijl ik de grijze tomaten in de blender stop, beginnen mijn handen te trillen. De tomaten lijken rood en sappig te worden voor mijn ogen. Snel kijk ik weg. Nog eventjes maar, dan kan ik toegeven. Snel klap ik het deksel van de blender dicht.

Ik kijk het nieuws zonder dat ik het echt zie. Ze zullen wel weer gezegd hebben dat de Onderzoekers ver op weg zijn met de Klimaatblokkers en dat onze samenleving nog vele malen efficiënter zal verlopen. Slechts de naam van de ontdekking waar ze aan werken verandert zo nu en dan, de rest is al sinds de bouw van de flatgebouwen hetzelfde. De televisie gaat vanzelf uit. Ik staar een paar seconden naar het scherm dat leeg zal zijn tot morgenavond voordat ik opsta en mezelf door mijn efficiënte avondroutine heen sleur (waarbij ik net iets meer tandpasta gebruik dan absoluut noodzakelijk. Ze zullen erachter komen, en dat zal ik merken in mijn salaris, maar ik kan het niet laten). Snel loop ik naar mijn bed toe. Ik laat mezelf met een diepe zucht op de dekens vallen.

Ook al heb ik het de hele dag met moeite weg kunnen duwen, nu ik mezelf toe sta het te doen gaat het moeizaam. Ik concentreer me op de kleur rood. Het rood dat ik me voorstel heeft de vorm van een cirkel, die verre van perfect rond is. Langzaam krijgt het de vorm van een tomaat. De tomaat begint voor mijn geestesoog te groeien. Hij wordt groter en groter, roder en roder, sappiger en sappiger. Ik kan hem bijna ruiken. Nee, ik kan hem echt ruiken. Ik strek mijn hand uit. Zodra ik de tomaat aanraak, barst hij uiteen in een mandala van kleuren en patronen. Ik voel mijn lichaam tintelen. Een heerlijke, gelukzalige warmte borrelt in mijn borst. De warmte spreidt zich uit over mijn lichaam, tot aan de toppen van mijn tenen.

De mandala vertakt snel, totdat het een schitterende ster van meerdere mandala's is. De kleuren worden heviger. Delen van de mandala groeien rond mijn polsen en enkels. Ze trekken me met zich mee, dieper hun wereld in. Ik kan niks anders doen dan me laten meevoeren. De mandala's wijken uiteen, zodat er een opening verschijnt waar ik precies doorheen pas.

Ik sta aan de top van een hoge trap. Beneden ligt een balzaal. Aan beide kanten van de trap staat een pilaar. Ik sta er precies tussenin. Langzaam wordt de balzaal scherper. Er groeit een kroonluchter uit het plafond, de treden en leuningen van de trap worden geplaveid met goud. Er verschijnen gordijnen aan de muur die even snel weer openvliegen en verdwijnen. In hun plaats blijven hoge, elegante ramen achter. Ik kan de sterren en de maan zien, even mooi en stralend als ik me kan herinneren. Ik spreid mijn armen. Mijn grijze kloffie transformeert langzaam in een prachtige zwarte baljurk, met glinsterende juwelen bij de naden. In mijn oren hangen twee grote diamanten in de vorm van regendruppels.

Statig begin ik naar beneden te lopen, de balzaal in. De balzaal breidt zichzelf nog altijd uit. Er verschijnen mensen - dames en heren in de mooiste kleding die ik ooit gezien heb. De geur van chocolade en taart dringt mijn neusgaten binnen.

Recht voor me, in het midden van de zaal, groeit een tafel uit de grond met de meest kunstig gemaakte desserts. Taart, fruit, chocoladefonteinen, wijn, alles wat je maar kan bedenken. Ik loop langs de groepjes met prachtige mensen. Ze lachen naar me, strijken mijn haar en jurk recht. Ik stap op de tafel af. Er ligt een klein bordje op met een gebakje dat ik eerder heb gezien. Het ruikt verrukkelijk. Ik pak het schoteltje en het kleine vorkje dat ernaast ligt op. Net als ik de eerste hap in mijn mond stop en de smaak me licht maakt in mijn hoofd, begint de kamer te draaien. De mensen walsen in de rondte en snel verandert de balzaal in een klein pleintje. Er staat een fontein op de plek waar de eettafel stond. Het plein is verlicht door lantaarntjes die aan een lange slinger boven het plein hangen. Ik hoor gelach en muziek uit de schattige berghuisjes komen. Ik leg een hand op mijn heup. De stof van mijn jurk voelt anders, en ik heb door dat ik nu een jurk draag zoals de meisjes uit de bergen. Stevig, met kleurrijke patronen. Ik sta op en loop langs de fontein, net als de mensen naar buiten beginnen te komen. Ze dansen in de rondte, gillend van plezier. Ik dans met ze mee, een heel rondje om de fontein heen.

Ineens dans ik een deur door, een diepe leegte in die al snel gevuld wordt met sterren. De sterren trekken weg en ik blijf achter bij een bushalte in een fel verlichte stad. Het licht van de neon reclameborden spat van de gebouwen. Ik kan het bruisen van de stad voelen in mijn binnenste. Pal voor mijn neus stopt er een bus.

Terwijl ik instap, kort de rok van mijn jurk in totdat ik een flitsend jurkje draag, gecombineerd met torenhoge hakken. Het jurkje is schandalig kort, maar het voelt comfortabeler dan de lange, slobberige, efficiënte pakken ooit gevoeld hebben. Ik ga naast een man met een bekend gezicht zitten. Ik weet niet waarom het bekend is, maar het is bekend. Bekend, knap en hypnotiserend. Zijn ogen veranderen van kleur - rood, blauw, groen, paars. Ik sta mezelf toe te verdwalen in die prachtige ogen.

Als de bus stopt, pakt hij mijn handen vast. Hij leidt me door de geluidloos openschuivende deuren. Zodra we buiten staan, wordt mijn jurk weer langer en dikker. Hij vormt zich om tot een prachtige kimono in de kleuren van de zonsopgang. De man gaat naast me staan. Nu kan ik het bosmeer zien, met een beeldschone zonsopgang erboven. Alles neemt de kleuren van de langzaam omhoogkruipende zon over - de bomen, het meer, de ogen van mijn compagnon. De verschillende kleuren lopen in elkaar over. De contouren vervagen, totdat er slechts een draaikolk van kleur overblijft.

Na een tijdje voel ik weer vaste grond onder mijn voeten. Ik sta op een stevige houten vlonder. Een schattig Japans huisje verschijnt, zo dat ik met mijn gezicht naar twee deuren toe sta. Ze staan wagenwijd open. Wat anders kan ik doen dan de plek verkennen?

Hoe verder ik loop, hoe groter het huisje wordt, totdat het geen huisje meer is, maar een architecturaal meesterwerk van hout en rijstpapier. Aan alles komt echter een eind, ook aan beeldschone Japanse paleizen. Aan het eind van een lange gang verschijnt weer een deur, die leidt naar een heerlijk geurende tuin vol bloesem. De bloesembomen zijn hoog, hoger dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden. De bloempjes vallen op mijn haar en kimono. In de verte kan ik het geluid van Kotos horen. Het geluid begeleidt me tijdens mijn wandeling onder de kersenbloesem.

De bomen worden hoger en hoger. De bloesem wordt dikker en dikker, totdat ik me in een wolk van roze bevindt. Het roze wordt rood, het rood wordt paars en dan sta ik weer op een pad. Naast het pad kabbelt een beekje, met waterlelies zoals alleen Monet ze schilderen kan. Mijn eigen kleding en zelfs mijn lichaam lijken ook wel gemaakt van olieverf. Mijn nieuwe jurk is licht, gecombineerd met een hoedje tegen de zon. De kleur, geur en vormen van de lelies brengen mijn hoofd op hol.

Het pad wordt ineens onderbroken door de beek. Kordaat loop ik verder, het water in. Mijn hoofd verdwijnt onder het oppervlak. De kleuren kolken voor mijn ogen. Ik hou mijn handen bij mijn schouders. Ik realiseer me dat ik een parapluutje vasthoud. Mijn jurk is elegant, lang en zwart. Ik zie mezelf in het raam van een patisserie - op de achtergrond kan ik de Eiffeltoren zien staan. Mijn gezicht is prachtig opgemaakt, met rode, zwarte en roze lijnen op precies de juiste plekken. Een schattig hondje keft aan mijn voeten. Ze heeft een glimmende roze strik om haar nek. Ik kan het niet laten om haar op te pakken. De paraplu laat ik los. Hij zweeft langzaam omhoog, gevolgd door duizenden andere paraplus. Ik houd het hondje hoog in de lucht en begin pirouettes te draaien. Mijn rok wordt wijder en staat me toe wilder en wilder te draaien. Bladeren in elke kleur die ik me maar kan voorstellen dartelen rondom mijn lichaam.

Als de bladeren weer zakken, sta ik op de top van een heuvel, in een eeuwenoud bos. Onder aan de heuvel kan ik beren en elanden zien. Hun geluiden zorgen ervoor dat mijn hart sneller gaat kloppen. De adrenaline vloeit door mijn aderen. Ik kan het niet laten om een kreet te slaken - alle gevoelens stromen via dat ene machtige geluid mijn lichaam uit. Ik hef mijn armen op, naar de hemel. De wolken zijn prachtig wit, zo wit als het papier waar ik vroeger woord na woord op schreef, om ze vervolgens aan niemand te laten lezen. Er verschijnt een vulpen bezet met goud en edelstenen in mijn rechterhand. Ik begin het wit te beschrijven. De mooiste woorden vloeien uit mijn pen zonder dat ik erover na hoef te denken. Ik laat me leiden door mijn hart, al sinds mensenheugenis de bron van de mooiste poëzie. En wat hebben de woorden in mij lang kunnen opstapelen. Nu komen ze eruit, alsof er eindelijk een dam doorgebroken is.

De woorden smeken erom gelezen te worden. Ik draai me om en stap de spotlights in. Een vol publiek wacht op mij. Op mij en op al s werelds poëzie. Ik begin in alle rust, maar mijn begeleidend orkest begint te spelen, zodat ik het niet kan laten om bijna zingend de woorden voor te dragen. De woorden rollen uit over het publiek zoals golven over het rulle zand. Als ik een pauze neem en het papier laat zakken, barst het applaus los. De rok van mijn jurk waait op van de staande ovatie. Ik duw hem weer naar beneden met mijn handen.

De hete lucht die uit het luchtrooster stroomt zorgt ervoor dat mijn binnenste verwarmd. Ik keer me naar Times Square toe. Glimmende autos razen langs, winkelende mensen lachen me toe. Ik steek een hand omhoog. Een kanariegele taxi stopt voor mijn neus. Het portier zwaait open. Ik stap in en waan mezelf in een beeldschone zaal, tijdens het hoogtepunt van een schitterende balletuitvoering. De muziek rijst in mijn borst en zorgt ervoor dat ik mee wil dansen, zodat ik licht als een veertje kan zijn. Ik strek me uit, totdat ik los kom van de grond. Hoog boven de mensen heb ik de ruimte om te strekken, om te dansen zoals niemand ooit gedanst heeft. Het publiek ver beneden me juicht me toe, de enige aansporing die ik nodig heb om nog mooier te dansen. Ik kan niet meer zien wat ik draag, het gaat allemaal zo snel. Ik grijp een paal van een loge hoog in de zaal vast.

De paal verandert in een zwaard. Ik zwaai het in de rondte en maai drie draken neer. Met de pijltjes naar voren en naar achteren. Met de knop in het midden kan ik mijn wapenuitrusting aan doen. Ik stop wat te eten in mijn mond - gevonden in een kist in een diepe kerker, maar boordevol voedingsstoffen. Dapper baan ik me een weg langs alle monsters die ik tegenkom. De knoppen worden tweede natuur. Aan het eind van de gang zit een deur, betoverd door een kwade tovenaar. Kan ik die betovering verbreken, dan wacht mij een kamer boordevol goud en juwelen. Een tweede vloek komt naast me in actie. Flitsen licht flikkeren voor mijn ogen. Ik stap erin - ik voel geen angst.

De flitsen verdwijnen in een tornado hoog boven me, terwijl ik me laat zakken op de gladde vloer. Mijn wapenuitrusting verandert in een flinterdunne jurk. De rok groeit en blijft maar groeien, zelfs als hij de hele vloer al bedekt. Langzaam ga ik weer staan. Mijn rok valt af, op een kort gedeelte na. De gladde stof wordt gladder en gladder en ijskoud. Scherpe ijzers vormen zich onder mijn schoenen. De zwierende bewegingen zijn zo vertrouwd, alsof ik nooit anders gedaan heb. Mijn lichaam weet exact wat ik moet doen om niet te vallen na elke sprong. Ik spring hoog in de lucht als de muziek aanzwelt.

Modder spat hoog op als ik op de grond land. Het publiek gilt en jut me op. Ik kom aan de bal en ren en ren en ren maar door. Het doel komt dichter en dichter bij. De keeper staat te trillen op zijn benen. Ik sta klaar, schiet en raak. Het publiek schreeuwt in extase, maar ik ren door, richting het doel. Ik barst door het net heen.

Ik was niet altijd zo goed in voetbal. Ik heb dagen achtereen gefaald. Nu zit ik op de grond, huilend na een zware wedstrijd. Het voelt goed om te huilen, om mijn verdriet eruit te schreeuwen, gepaard met een waterval van tranen. Buiten hoor ik het weer razen. Het onweert. Ik word stiller en loop naar het dichtstbijzijnde raam. Het onweer kraakt en dondert. Ik sidder van angst. Doodsbang - maar toch gelukkig, zo gelukkig. Wanneer heb ik me voor het laatst zo kunnen voelen?

Ik strek mijn handen uit naar de flits als hij weer inslaat. De flits kluistert om mijn pols en vormt een armband. Hij licht op. Zelfverzekerd loop ik verder. Ik sta op de catwalk, in het pièce de résistance. In het verblindende licht van de spotlights geef ik het publiek mijn mooiste pose. Een laatste keer hoor ik de massa gillen. De kleuren en lichten worden zwakker en klonteren samen, tot een grijze brei.

Ik schiet overeind. Mijn appartement is donker. Ik kijk naar de zacht lichtgevende klok aan de muur. Doordat ik nog gedesoriënteerd ben, kan ik niet zien hoe laat het exact is, maar het is duidelijk diep in de nacht. Ik moet nu nog gaan slapen, schiet het door me heen. Met een diepe zucht ga ik weer liggen.

Ik weet dat ze er op een dag achter zullen komen. Reizen zoals ik die maak kunnen nooit lang onder de radar blijven en zijn waarschijnlijk strikt verboden. Het lijkt op kunst en kunst is niet efficiënt. Maar ik kan het niet laten en wil het ook niet laten. Ik ga duizendmaal liever ten onder aan een liefde voor glorie en kleur dan in een grijze poel van angst en verveling. Reizen zorgt ervoor dat ik doorga; anders was ik allang gevlogen.


Roos is pas kort geleden begonnen met intensief schrijven. Dat doet ze naast haar studie, waarvoor ze ook vrij vaak haar pen moet scherpen. Schrijven doet ze waar het maar even kan en dan het liefst voor de genres fantasy en dystopia.

Vonk is een blog met verhalen, recensies, nieuws en opinies uit en over Nederlandstalige fantasy, sciencefiction en horror. Heb je vragen of opmerkingen, neem dan contact op via mail of Twitter.
Meer informatie over Vonk, privacy en recensies.

Redactie: Tom Kruijsen
Mail: tom@vonkfantasy.nl

Volg Vonk:
@vonkfantasy
vonkfantasy

Verhalen: magazine@vonkfantasy.nl

Je kunt Vonk steunen via Patreon. Al vanaf $1 per maand steun je dit blog en de schrijvers van de verhalen. Deze mensen gingen je voor en daarvoor zijn we erg dankbaar.

Ben je schrijver? Lees hier alles over het inzenden van je verhaal voor Vonk Magazine.