Een flikkerende straatlantaarn liet de schaduwen spookachtig over straat dansen.

Zijn mondhoeken krulden omhoog toen hij mijn hand pakte. Het is nog maar een klein stukje verder.

Ik richtte mijn blik weer voorwaarts, de duistere steeg in. Het is zo donker. Weet je zeker dat het een veilige weg is? wilde ik weten.

Zo laat in de nacht is hier niemand te vinden. Bovendien ben ik bij je.

Overtuigd gaf ik hem een glimlach terug voordat ik hem volgde, mijn hand nog in de zijne. Het geluid van mijn naaldhakken galmde door de steeg. Enkele meters verder stopte ik abrupt. Hoorde jij ook iets?

Hij keek kort rond. Nee, ik denk dat het je verbeelding is.

Ik nam de omgeving nogmaals in me op, maar ineens trok hij me dicht naar zich toe. Hij streek door mijn lange, blonde haren. Je bent schattig als je bang bent, Someya, fluisterde hij, voordat hij me in mijn hals kuste.

Ik heb veel kwaliteiten, mompelde ik, maar schattig, nee. En ik ben trouwens ook niet bang.

Een glimlach verscheen op zijn gezicht. Daar geloof ik niets van.

Je gebrek aan mensenkennis verrast me. Je zou niet verwachten dat je binnen de menswetenschappen gepromoveerd bent, meneer de professor.

Mijn belediging deed hem breder grijnzen. Niet zo sarcastisch, dametje.

Ik gaf hem een koele blik. Ik meen het. Je intellect valt me tegen.

Even leek hij wat van zijn stuk gebracht. Zijn ogen vernauwden, maar blijkbaar besloot hij mijn opmerking te negeren. Zacht drukte hij zijn lippen op de mijne. Ik beantwoordde zijn kus niet, waarop hij zich terugtrok en me vragend aankeek.

Op dat moment klonk er een doffe knal.

Zijn ogen werden groot. Pijn en verbazing tekenden zijn gezicht. Langzaam zakte hij ineen. Zijn lijf schokte nog enkele malen na, voordat het bewegingloos bleef liggen.

Mijn schaduw gleed over het lichaam. Mijn mondhoeken krulden omhoog toen ik het pistool weer in mijn handtas opborg. Deze steeg was te smal voor mijn auto, dus het zou een zware klus worden om het lijk naar mijn kofferbak te krijgen. Daar stond wel tegenover dat ik de komende maand genoeg te eten zou hebben.


Ik haat stereotyperingen.

Vooral het beeld dat mensen van zombies hebben roept veel ergernissen bij me op. In de media worden we neergezet als een stelletje hersenloze, half-ontbonden debielen die zich kermend, kreunend en vaak zelfs kwijlend voortbewegen op zoek naar voedsel. Toegegeven, recente onderzoeken hebben de oorzaak van dit cliché blootgelegd. In de Amerikaanse staat Mississippi had een groep zombies zich rond 1900 tegoed gedaan aan een met hondsdolheid besmette prooi, met alle gevolgen van dien. Dus ja, wellicht dat men de vooroordelen daarop heeft gebaseerd.

Dat neemt niet weg dat het een discriminerende en uitermate onterechte stereotypering is. Hondsdolheid kwam in die tijd ook regelmatig bij mensen voor en die worden toch ook niet op deze belachelijke manier afgeschilderd?

Wat me ook steekt, is de aanname dat zombies amper intelligentie bezitten. Als directiesecretaresse kom ik in aanraking met veel hoogopgeleide mensen en eerlijk gezegd acht ik mezelf minimaal op hetzelfde niveau als hen.

Ik moet wel bekennen dat ik wellicht wat afwijk van reguliere zombies. Zij leven in groepen, hebben allerlei regels die volgens mij ergens in de middeleeuwen zijn verzonnen en sindsdien niet meer zijn aangepast en hebben hulp nodig van elkaar om te kunnen overleven. Ik red me echter prima in mijn eentje. Zo heb ik geen groep nodig om een prooi aan te vallen. Ik heb een geweer. Met demper. Veel efficiënter.

En in plaats van een beetje met botte tandjes op een mensenarm lopen te knagen, gebruik ik gewoon mes en vork. Zoals het een beschaafd persoon betaamt.

Wellicht dat mijn dieet wel iets aan mijn gecultiveerde leefstijl bijdraagt. Ik voed me namelijk slechts met intelligente mensen. Een goed stel hersenen beschouw ik als een absolute delicatesse en ondanks dat hiernaar geen onderzoek is gedaan, ben ik ervan overtuigd dat het bijdraagt aan mijn eigen intellect. Je bent wat je eet, zegt men immers.


Is er post voor mij?

De oogjes van de receptioniste priemden over de balie. Nee. Wel voor Willem-Jan.

Dat komt op hetzelfde neer, nietwaar?

Ze brieste, maar bracht haar ongenoegen niet onder woorden. Tergend traag begon ze enkele enveloppes te verzamelen. Ongeduldig trommelde ik met mijn nagels op de balie.

Mijn blik gleed naar de foto op haar bureau; een vakantiekiekje van haarzelf en haar drie zonen.

Wie zet er nu zon foto op het werk neer? Zo onprofessioneel, vond ik het. Collegas waren misschien dom genoeg om het als schattig te interpreteren, maar ik had het maar al te goed in de smiezen; de foto stond er puur zodat ze er interessant over kon doen.

Dat is mijn oudste. Hij slaagde cum laude voor het atheneum en studeert nu aan de Technische Universiteit in Delft, hoorde ik haar laatst kakelen.

Oh, het was me toch een geweldig resort! tetterde ze tegen een andere collega. Mijn jongste had nog nooit zon luxe gezien, zei hij! Toen ik die woorden opving, kon ik niet anders dan met mijn ogen rollen. Een beetje decadent gaan doen over een weekje Turkije? Jezelf volvreten en de hele dag aan het zwembad hangen als een of andere rode kreeft? En wedden dat ze het betaald heeft van de alimentatie van haar ex? Wat een pretentieus wicht is het toch.

De receptioniste keek opnieuw over de balie, waarna ze me zonder ook maar een woord te speken enkele enveloppes toeschoof. Ik gaf haar een gemaakte glimlach terwijl ik de brieven van het bureau pakte. Dank je, Piggy.

Peggy, beet ze me toe.

Ik moest een grijns onderdrukken toen ik naar mijn kantoor liep. Uiteraard kon ik de naam van het mens best onthouden, maar het was gewoonweg te amusant om de mollige dame met die ene verkeerde letter aan haar gewicht te herinneren. Nu lijkt het alsof ik een heel naar persoon ben, maar zij is toch degene die geen zorg draagt voor haar uiterlijk? Daarnaast is het niet goed voor haar gezondheid. Het was dus voor haar eigen bestwil dat ik haar regelmatig subtiele hints probeerde te geven. Gisteren nog, zelfs.

Nee, voor mij geen taart, zei ik toen, terwijl Peggy alweer met haar bordje vooraan stond. Ik moet aan de lijn denken. Ik keek haar bij die woorden zelfs nog even aan, maar nee hoor, ze werkte gewoon een groot stuk naar binnen. Sommige mensen zien hun eigen fouten maar niet in. Totdat het dadelijk te laat is en het overgewicht haar fataal wordt. Tja, zelfkennis is nu eenmaal niet voor iedereen weggelegd, blijkbaar.

Na het opstarten van mijn computer bespeurde ik direct een nieuw bericht in mijn mailbox. Schichtig keek ik om me heen. Willem-Jan was momenteel met de rest van de directie in overleg, dus het kon geen kwaad om de bijgesloten link aan te klikken zodat ik het profiel van deze Antonius even door kon nemen.

Met regelmaat ontmoette ik geschikte prooien via mijn werk, maar sinds mijn inschrijving op een datingsite voor hoger opgeleiden was het nu nog makkelijker om aan voedsel te komen.

Ik trok mijn wenkbrauwen op toen ik zag dat Antonius zichzelf blijkbaar de titel doctor al mocht toeschrijven, ondanks dat hij nog maar begin dertig was. Dat begon goed. Ook op de foto zag de man er erg aantrekkelijk uit. Donkere haren, een kaaklijn waar je je vingers aan open zou kunnen halen en een spannend maar niet te ruig baardje. Ik was onder de indruk; normaliter was de leeftijd van mijn prooien een stuk hoger en zagen zij er een stuk minder smakelijk uit dus een afspraakje met Antonius zou geen straf zijn.

Het lijkt wellicht wat ordinair om eerst met een prooi op date te gaan, maar begrijp me niet verkeerd. Ik dien iemand nu eenmaal eerst een gevoel van veiligheid te geven, een zeker vertrouwen. Helaas eist mijn zelfvoorzienende levensstijl sporadisch ook wel wat meer dan slechts inhoudelijk goede dialogen. Ik ben een dame met klasse, maar soms moet ik nu eenmaal een offer brengen om mezelf van voedsel te voorzien. De meeste vrouwen doen wel meer voor minder, hoor.

Ik haalde mijn schouders op en stuurde Antonius een berichtje terug, waarin ik hem liet weten wel interesse te hebben in een afspraak.


Het was inmiddels donker toen ik huiswaarts fietste. Ondanks dat de kou me niet kon deren, had ik een dikke winterjas aan. Designer, uiteraard. Het oog wil nu eenmaal ook wat.

In een normaliter verlaten straatje zag ik enkele figuren staan. Waarschijnlijk hangjongeren. Ik liet een geërgerde zucht ontsnappen en versnelde om hen vlug te kunnen passeren.

Op de grond zat een in vodden geklede man. Hij kuchte kort toen ik hem voorbij fietste. Ik herkende het patroon direct. Een vloek ontsnapte me, maar het was al te laat.

De groep kwam dichter bijeen. Mijn doorgang werd zo versperd en ik was genoodzaakt van mijn fiets te stappen. Uit een steeg achter me waren de anderen al tevoorschijn gekomen, zodat er ook geen weg meer terug was.

Ik zou graag willen weten wie hier de leiding heeft, zei ik op aanvallende toon.

Een man met een onverzorgde baard stapte naar voren. Waarom?

Omdat ik wil weten wie er zo achterlijk is om op eigen volk te jagen.

Eigen volk? Met zijn ogen die de doodse, grauwe tint hadden die kenmerkend is voor zombies keek hij me argwanend aan. In een snelle beweging greep hij mijn linkerhand, waarvan hij de bovenkant bestudeerde.

Waar is je dodenteken dan? wilde hij weten.

Onder een dikke laag make-up.

Een diep gerochel klonk in zijn keel, waarna hij een flinke klodder op mijn hand spuugde. Vol afgrijzen wilde ik mijn hand terugtrekken, maar hij hield me stevig vast terwijl hij de dure foundation van mijn huid wreef. Het kleine, blauwe lijntje werd nu zichtbaar.

Waarom bedek je het teken?

Vol walging trok ik mijn hand terug. Omdat ik een normale baan heb.

Maar, begon hij met ogen vol ongeloof, het teken is zo subtiel dat het niet eens opvalt voor onwetenden. De blauwe lijn oogt bijna als een ader.

Ik haalde mijn schouders op. Anderen valt het misschien niet op, maar mij wel.

Hij knipperde even met zijn ogen voordat hij me nogmaals aankeek. En je ogen Zo intens blauw

Ik draag lenzen, imbeciel, beet ik hem toe.

Hij negeerde mijn belediging al was het bijna een compliment, al zeg ik het zelf en stelde me de vraag die ik al had verwacht. Tot welke groep behoor je?

Geen.

Mijn controversiële antwoord veroorzaakte een boel gemurmel in de groep om me heen.

De man hief zijn hand. Stilte volgde.

Hij gaf me een vriendelijke glimlach voordat hij weer sprak. Onze wet schrijft voor dat niemand alleen zal staan. Je bent vrij je bij ons aan te sluiten, zuster.

Ik snoof minachtend. Nee bedankt. Ik heb er absoluut geen behoefte aan mijn eten te delen met een stelletje-

Bij het zien van de grimmige blikken om me heen slikte ik mijn verdere woorden in.

De groepscode schrijft voor dat het verboden is een soortgenoot om te brengen, maar technisch gezien kunnen ze me genoeg doen zonder die code te breken. Het is natuurlijk niet zoals in die ranzige horrorfilms, waar een zombie pas doodgaat wanneer de hersenen uit het hoofd geknald worden. Dat principe is bijna net zo belachelijk als het bloed nep is in dergelijke films. Echte zombies zijn fysiek vrijwel net zo kwetsbaar als mensen, alleen kunnen we niet omkomen door natuurlijke oorzaken zoals ziektes of ouderdom. Feit is dus wel dat ik technisch gezien niet al mijn ledematen nodig had om mijn leven voort te zetten Het was daarom wellicht niet erg handig om deze groep nog meer te beledigen.

Desondanks bedankt voor het aanbod, broeder. Vooral het laatste woord kostte me moeite; soortgenoten aanspreken als gelijken heeft me altijd al een naar gevoel gegeven.

Graag gedaan. Zijn woorden klonken ook niet bepaald oprecht.

Hij zette een stap opzij, waarna de ook de rest een pad voor me vrij maakte. Ik stapte weer op mijn fiets en vervolgde haastig mijn weg. Toen ik omkeek, zag ik dat de groep me zwijgend nastaarde.

Mezelf bij hen aansluiten, mompelde ik nog zachtjes tegen mezelf, alsof ik mezelf ooit nog tot dat niveau zou verlagen.


Toen ik later thuis op de bank zat met een glas goede Bordeaux en een schaaltje lekkers mensenvingers waren nu eenmaal een heerlijk avondknabbeltje dwaalden mijn gedachten af naar vroeger.

Denk er nog even over na, had Annemarie gezegd. Haar grauwe ogen waren bijna smekend.

Ik heb er al talloze keren over nagedacht, zei ik vastberaden, terwijl ik een blazer in mijn tas propte. Deze levensstijl past gewoon niet bij me.

Ik had willen vertrekken zonder dat iemand het zou merken, maar had niet voorzien dat Annemarie vandaag weer eens zonder aankondiging mijn kamer zou binnenwandelen. Gebrek aan privacy was een van de redenen dat ik niet meer bij de groep wilde blijven.

Ze had direct onraad geroken. Ontkennen had geen zin. Vluchten ook niet trouwens. Zombies hebben geen bovenmenselijke snelheid of iets dergelijks, maar dat trage geschuifel in horrorfilms is ronduit belachelijk. Vooral wanneer je Annemarie kent. Snelheid is haar specialiteit, dus wanneer zij de achtervolging inzet heeft een prooi geen schijn van kans.

Annemarie had inmiddels plaatsgenomen op mijn bed. De jonge vrouw streek haar lange haren naar achteren en leek even na te denken voordat ze sprak. Maar hoe ga je dan jagen?

Dat komt wel goed.

Ze trok haar wenkbrauwen op, maar sprak haar ongeloof niet uit. En waar ga je wonen, dan?

Ik wilde niet prijsgeven dat ik al woonruimte had geregeld, uit angst dat de groep me anders op zou kunnen sporen. Ik vind wel wat.

Hoe dan? Officieel besta je niet eens.

Ik richtte mijn blik op haar, deels verbaasd om haar doordachte opmerking, maar ook geërgerd omdat ik hier zelf niet eens bij stilgestaan had. Ik zou immers ook een baan moeten vinden om rond te komen.

Met moeite produceerde ik een glimlach. Ik heb zo mijn manieren, blufte ik.

Nog steeds leek ze niet bepaald overtuigd. Het lijkt me niet verstandig. De groep biedt veiligheid en bescherming.

Ik snoof minachtend. Bescherming waartegen? Men moet juist tegen ons beschermd worden.

Haar ogen vernauwden. Is dat het? Heb je moeite met de jacht op mensen?

Ik schudde mijn hoofd. Die lieve, naïeve Annemarie. Het zou me niets verbazen als zij in haar leven vegetariër was geweest, of zelfs veganist. Ze was altijd zo zachtaardig.

Dat is het niet.

Gelukkig, zuchtte ze. Ik vreesde al dat er iets niet goed was afgestorven bij je.

Kort knipperde ik met mijn ogen. Annemarie haalde haar schouders op. Je weet wel, je emoties naar mensen toe of zo. Beetje moeilijk overleven als je hen als gelijken ziet. Tja, mensen staan nu eenmaal niet bovenaan de voedselketen. Dat is niet ons probleem.

Even was ik nog ontdaan door mijn misvatting, maar ik wist me snel te herpakken. Daar hoef je niet bang voor te zijn; de jacht wordt geen probleem. Mijn toon was afsluitend.

Ze pikte de hint op en keek zwijgzaam toe hoe ik verder inpakte. Nadat ik mijn tas had dichtgeritst, kwam Annemarie tegenover me staan.

Het was even stil voordat ze sprak. Dus, je besluit staat vast?

Ik knikte, waarop ze me plots een omhelzing gaf. Ik hield niet bepaald van fysiek contact, maar kon haar zachtmoedigheid ditmaal toch wel waarderen.

Je bent en blijft mijn zuster. Je kunt ten alle tijden terugkomen; de groep zal er altijd voor je zijn, fluisterde ze me toe, waarna ze me weer losliet.

Ik wilde haar vertellen dat ik nooit of te nimmer nog deel wilde uitmaken van de groep, maar toen ik haar hoopvolle blik zag, besloot ik dat voor me te houden.

Ik wrong mijn mondhoeken omhoog. Dat weet ik, zuster.


Ik ontmoette Antonius in een café. De locatie in het centrum van de stad was wellicht wat druk, maar eventueel kon ik hem vragen of hij me naar mijn auto wilde begeleiden. Ik had bewust in een donkere steeg geparkeerd, zodat het gesjouw ditmaal beperkt zou blijven.

Uiteraard was het eerst even afwachten of hij me wel zou bevallen. Velen liegen via internet immers over hun identiteit. Triest, vind ik dat. Hoe onzeker moet je wel niet zijn, om jezelf tot dergelijke leugens te verlagen? Wellicht heb ik wel makkelijk praten; Photoshoppen was voor mij immers niet nodig. Het enige dat wellicht niet helemaal klopte aan mijn profiel, was mijn status als directrice. Dit kleine detail had ik slechts aangepast omdat men de zwaarte van mijn functie altijd onderschat. Maar, zoals ik al aangaf: gelukkig hoef ik mezelf niet beter voor te doen dan ik ben.

Ik was erg vergenoegd te zien dat Antonius in het echt nog aantrekkelijker was dan op zijn foto. Toen hij me begroette met drie kussen op de wang, viel het me al op dat hij een duur geurtje droeg. Hij had smaak.

Dus, Someya, vertel eens: hoe komt een mooie blonde vrouw aan zon exotische naam?

Ik glimlachte om het compliment. Uiteraard kon ik hem niet vertellen dat ik deze naam zelf had gekozen.

Creatieve ouders, zei ik, waarna ik snel op een ander onderwerp aanstuurde.

Ik sprak vaak met intelligente mensen en wist inmiddels dat slim en interessant geen vanzelfsprekende combinatie waren. Antonius bleek echter wel beide kwaliteiten te bezitten. Het was dan ook diep in de nacht toen we evenals een drietal dronkenlappen ver na sluitingstijd vriendelijk de kroeg uit gedirigeerd werden.

Ik overwoog Antonius te vragen of hij me naar mijn auto wilde begeleiden, maar iets hield me tegen. Toen ik in zijn donkerbruine ogen keek, realiseerde ik me dat ik niet wilde dat deze avond tot een einde kwam. Evenmin wilde ik dat Antonius tot een einde kwam, eigenlijk.

Hij gaf me een glimlach. Ik heb het erg naar mijn zin gehad, zei hij, waarop hij mijn handen pakte.

Enigszins verlegen wendde ik mijn ogen af. Ik ook met jou.

Hij kwam dicht tegen me aan staan. Zacht streek hij over mijn wang terwijl hij zijn gezicht dichter bij het mijne bracht.

Dit wil ik al de hele avond doen, zei hij, voordat hij me kuste. Nooit eerder had ik mezelf verloren in een zoen. Het was bijna zoals het in romannetjes beschreven wordt: de tijd leek even stil te staan. Niet dat ik dergelijke troep ooit lees, uiteraard. Ik kan allicht alleen diepgaande literaire werken waarderen.

Hij haalde zijn lippen van de mijne en gaf me een zelfverzekerde glimlach. Ik woon om de hoek, dus als je nog zin hebt in een afzakkertje


Het vraagstuk nature versus nurture kort gezegd in hoeverre genetische eigenschappen een individu vormen of dat een persoon juist wordt gevormd door opvoeding en omgevingsfactoren heeft me vaak bezig gehouden. Persoonlijk denk ik dat ik niet gevoelig ben geweest voor mijn omgeving. Als ik eraan terug denk, heb ik me namelijk eigenlijk nooit echt verbonden gevoeld met de groep; al vanaf het eerste moment niet.

Je zult vele vragen hebben, zuster, zei Hendrik toen. Een vriendelijke glimlach sierde zijn gezicht, maar ik kon mijn blik niet van zijn doodse ogen afwenden.

Ik kon het nog maar amper bevatten. Hendrik had me zojuist als eerste welkom geheten in de groep de rest zou ik later pas gaan ontmoeten en me het een en ander uitgelegd over mijn nieuwe staat van zijn.

Hoe ben ik een Ik slikte. Het woord was nog te vreemd om uit te spreken. Ik wist wie ik was, maar mijn leven mijn vorige leven voelde als een vervlogen droom. Hoe hard ik het ook probeerde, iedere keer als ik bij een herinnering trachtte te komen, leek deze te vervliegen. Ik wist me te hervatten. Hoe ben ik een zombie geworden?

Hij haalde zijn schouders op. We dachten een gemakkelijke prooi gevonden te hebben.

Een golf van misselijkheid overspoelde me toen de volle impact van zijn woorden doordrong. Jullie wilden me opeten? vroeg ik, terwijl ik tevergeefs mijn afgrijzen probeerde te verbergen.

Voel je niet persoonlijk aangevallen, zei hij. Ik heb het over je vorige vorm: een mens. Gewoon een prooi, dus.

Ik wist niet wat ik hierop kon zeggen. Hendrik vervolgde zijn verhaal echter alsof er niets aan de hand was. Wellicht waren we te overmoedig. We hadden al uren op een prooi gewacht bij die landweg. Toen er eindelijk iemand voorbij fietste, gaf ik direct het teken. James en Annemarie wisten je vast te grijpen. Vanuit mijn ooghoeken zag ik toen de lichten van koplampen. Er ontstond een worsteling, waarbij James zijn evenwicht verloor. Hij probeerde nog op te krabbelen, maar de auto naderde in zon hoge snelheid

Hendrik liet een stilte vallen. Hij wendde zijn blik af. Ik krijg nog steeds kippenvel als ik terugdenk aan het geluid van zijn krakende schedel. Ik heb al vele botten horen breken, maar nog nooit eerder die van een soortgenoot. Nooit eerder heb ik een zombie zien sterven. Er viel een stilte, waarna hij diep zuchtte. Ik ben verkozen als leider. Ik had het moeten voorkomen.

Droefheid tekende zijn gezicht. Troostend legde ik een hand op zijn schouder. Ongelukken gebeuren.

Pas bij het uitspreken van de woorden besefte ik dat het erg vreemd was dat ik meer verbondenheid voelde met Hendrik dan met mijn menselijke vorm. Ik slikte verdere bemoedigende woorden maar in en trok mijn hand discreet terug toen hij zijn verhaal hervatte.

Ik gaf opdracht om de bestuurder van de auto om te brengen. Mensen horen niet van ons bestaan te weten, dat zou een te groot gevaar voor onze gemeenschap vormen. Er zijn om die reden ook maar enkele groepen in Nederland, met infiltranten op exact de juiste plaatsen, zodat we onder de radar kunnen blijven. Maar dat terzijde. In alle chaos bleek jouw menselijke vorm al gevlucht te zijn. Ik zei Annemarie, onze sprintster, de achtervolging in te zetten. Ze wist me echter tot rede te brengen: het was geen prioriteit. James had je menselijke vorm al gebeten, dus als we deze niet op tijd zouden vinden om te doden, zou de transformatie inzetten: de verandering van mens naar zombie.

Zoals ik al zei: ongelukken gebeuren, mompelde ik, hopende dat hij me zou tegenspreken. Hendrik knikte echter. Blijkbaar. Gewoonlijk zoeken we bewust naar nuttige aanvullingen op onze groep, om deze sterker te maken. Fysieke kracht voor de aanvallen, bovengemiddeld intellect om de anonimiteit te kunnen waarborgen, dat soort dingen. Maar ja, jij bent uiteraard ook welkom. Onze codes schrijven immers voor dat geen zombie alleen zal staan.

Ik richtte mijn ogen op de grond. Mijn gevoel van ongewenstheid bleef groeien.

De man leek dit niet op te merken. Het ziet er hier wellicht wat armoedig uit, maar we gaan deze verblijven opknappen. We hebben uit voorzorg onze eigenlijke woonruimte moeten verlaten, omdat jouw menselijke vorm daar waarschijnlijk ergens in de buurt woonde. We kunnen niet het risico nemen dat een groepslid door mensen wordt herkend.

Ik beet op mijn lip. Wellicht dat een nuttige aanvulling al deze moeite waard was geweest, maar ik had hen niets te bieden. Ik was slechts een last. Het was beter geweest als ze mijn menselijke vorm gewoon hadden omgebracht.

Hendrik keek me aan. Maar genoeg gepraat. Ik zal je zo even rondleiden en je voorstellen aan de rest.

Een wrange glimlach verscheen op mijn gezicht. Dank u.

Zeg maar je zei hij, terwijl hij een hand op mijn schouder legde. Alle broeders en zusters in de groep zijn immers elkaars gelijken.


Ik nipte van mijn rode wijn. Inderdaad een goed jaar.

Een speciale wijn voor een erg speciale vrouw, zei Antonius, die naast me op de lederen bank zat.

Ik liet mijn ogen door de kamer glijden. De inrichting van zijn appartement beviel me ten zeerste: hij had een dure smaak. Mijn blik bleef hangen bij een van de schilderijen aan de muur. Het was een abstract werk: donker, met vele tinten zwart, bruin en rood. Met name de grove strepen bleven mijn aandacht trekken.

Een erg intrigerend schilderij, merkte ik op.

Hij volgde mijn blik. Vind je?

Ik knikte. Zeer indrukwekkend. Van welke kunstenaar is het?

Het is gemaakt door de man die jou zojuist van wijn heeft voorzien.

Ik zette mijn glas op de salontafel voor me. Ik wist niet dat je schilderde, zei ik, oprecht onder de indruk van zijn talent.

Hij gaf me een mysterieuze glimlach. Er is wel meer dat je niet van me weet.

Nóg niet, zei ik, terwijl ik hem een speelse blik toewierp, maar jij hebt ook nog veel over mij te leren.

Hij legde zijn hand op mijn knie en keek diep in mijn ogen. Ik verwachtte dat hij me ging zoenen, maar in plaats daarvan fluisterde hij in mijn oor. Ik ken je redelijk goed.

Denk je?

Hij nam mijn hand in de zijne, bracht deze naar zijn mond en gaf galant een kus op de rug van mijn hand. Ik ken je beter dan je denkt, Someya. Zijn toon was nog steeds geheimzinnig, maar op de een of andere manier minder charmant dan voorheen.

Ik glimlachte kort. Subtiel probeerde ik mijn hand terug te trekken, maar zijn grip verstevigde. Of zal ik je gewoon Truus noemen?

Mijn ogen werden groot bij het horen van mijn echte naam. Sprakeloos keek ik hem aan.

Je naam is niet het enige dat ik van je weet, begon hij, zijn toon niet langer vriendelijk. Je kunt wel een mooie baan op je profiel zetten, maar het enige wat jij doet is koffie halen. Je woont in een krappe studio, omdat je jezelf geen fatsoenlijk appartement kunt veroorloven. Dan heb je ook nog eens een schuld opgelopen bij een onbetrouwbare crimineel om een nieuwe identiteit aan te kunnen nemen. En in plaats van die schuld af te lossen, spendeer jij je geld liever aan merkkleding.

Ik probeerde mijn hand nogmaals terug te trekken, maar zijn grip was ijzersterk. Met mijn vrije hand reikte ik naar de grond, in de hoop mijn tas te kunnen pakken.

Hij trok zijn wenkbrauwen op. En ik weet ook dat je altijd een pistool bij je hebt, in je tas. Die imitatie-Prada staat trouwens al lang niet meer op de plek staat waar jij nu naar loopt te graaien.

Ik slikte toen ik zag dat mijn tas inderdaad was verdwenen, maar probeerde rustig te blijven. Wat wil je van me?

Het gaat er niet om wat ik wil, het gaat erom wat ik moet doen. Ik moet risicos uitschakelen. En jij, dame, bent een risico.

Mijn stem trilde lichtjes. Als dit over de schuld gaat, zeg Marcus dan dat ik volgende week weer geld heb. Dan zal ik een deel aflossen.

Het gaat niet over geld, zuchtte hij geërgerd, terwijl hij ruw over mijn hand wreef. Het gaat hierom. Ik volgde zijn blik en zag dat het blauwe lijntje op mijn hand zichtbaar werd.

Hij sprak weer. Je kunt het dodenteken verbergen, een nieuwe naam kiezen en jezelf tussen de mensen mengen Maar je bent en blijft een zombie. Je groep verlaten tot daar aan toe, maar dat je ons in gevaar brengt valt niet te tolereren.

In schok wist ik even niet te reageren, maar gelukkig kon ik me hervatten. Ons? wist ik uit te brengen, terwijl ik in zijn donkerbruine ogen keek.

Hij snoof minachtend. Dacht je nu echt dat jij de enige was die op het idee kwam om lenzen te dragen?

Ik slikte. Eigenlijk had ik het inderdaad een behoorlijk geslepen actie van mezelf gevonden. Ik voelde me extra dom toen ik naar zijn linkerhand keek; het discrete dodenteken viel inderdaad niet op als je er niet specifiek op lette. Mijn maag kantelde even bij de gedachte dat ik zijn vlees had willen eten; het vlees van een soortgenoot. Los van dat dergelijk kannibalisme volgens de groepscodes verboden is, leek het me uitermate onsmakelijk; vlees dat al zo lang dood is kan immers niet bepaald vers meer zijn. Een rilling liep over mijn rug, pas daarna kwam de impact van Antonius verdere woorden bij me binnen.

Hoe bedoel je: risicos uitschakelen?

Zoals ik al zei: je brengt ons in gevaar. De ene na de andere promovendus verdwijnt. Allemaal mensen waarmee jij in aanraking bent geweest en telkens in deze stad. De infiltranten bij de politie hebben overuren moeten draaien om jouw zooi op te ruimen. Het was direct duidelijk wat er aan de hand was: een groepsverlater. Wat bezielt je überhaupt om telkens zulke belangrijke mensen om te brengen?

Ik ontweek zijn blik en haalde mijn schouders op, maar daar nam hij geen genoegen mee. Ik ben oprecht benieuwd, Truus. Waarom die mensen? Zijn toon was wat zachter, wat me deed besluiten hem mijn drijfveer prijs te geven.

Ik leef op een dieet van intelligente prooien, mompelde ik.

Zijn hatelijke lach kwam niet als een verrassing. Serieus? Hoop je er zelf slimmer van te worden of zo?

Beschaamd negeerde ik zijn opmerking, wat hem alleen maar luider deed lachen. Zoiets belachelijks heb ik nog nooit gehoord. Als je daar zo slim van was geworden, had je er wel aan gedacht om je sporen te uit te wissen, of had je jezelf ten minste wat minder gemakkelijk vindbaar gemaakt. Ik snap trouwens echt niet waarom ze je profiel nog niet verwijderd hebben; iemand die zich uitgeeft als hoogopgeleide directrice en toch meerdere dt-fouten in haar profiel heeft staan? Belachelijk.

Zwijgzaam hoorde ik zijn woorden aan. Ik weet niet wat me meer raakte: zijn denigrerende beledigingen zelf, of het feit dat ik eigenlijk wel wist dat er waarheid in zat.

Je bent erg vermakelijk, Truus, zei Antonius. De lach verdween van zijn gezicht. Maar genoeg gekletst nu.

Met zijn vrije hand trok hij een lade van de salontafel open, waaruit hij een groot mes tevoorschijn haalde. Ik probeerde achteruit te deinzen, maar hij had mijn hand nog stevig vast.

Koortsachtig zocht ik naar de juiste woorden. Het is verboden een soortgenoot om te brengen, zei ik, zekerder dan ik me voelde.

Dat is de groepscode, zei hij, zijn blik op het mes gericht. Jij behoort niet tot een groep.

Ik besefte dat hij gelijk had. Langzaam voelde ik tranen opwellen. Deels uit angst, maar waarschijnlijk ook omdat ik nog maar een uitweg zag. Mijn stem trilde. Ik ga wel terug. Terug naar mijn groep.

Daar is het nu te laat voor.

Nee, ik was altijd welkom.

Antonius keek wat bedenkelijk. Zijn grip verslapte een beetje, waardoor ik mijn hand terug kon trekken. Ik stond meteen op, maar voelde mijn benen trillen.

Zijn toon was rustig. Je kunt beter weer gaan zitten.

Ik schudde mijn hoofd, maar werd overspoeld door een gevoel van duizeligheid. Toen ik weg probeerde te lopen, leek het alsof mijn benen van elastiek waren. Na enkele stappen zakte ik op de grond. De kamer leek te draaien.

Ik zei nog zo dat het beter was om te blijven zitten, zei Antonius hoofdschuddend. Uiteraard weet jij het weer beter. Ik had trouwens wel gedacht dat je wat beter tegen drank zou kunnen. Ach ja, ik had ook verwacht dat je meteen door zou hebben dat ik je goedkope bocht inschonk, of toch ten minste een vreemde bijsmaak zou opmerken.

Wat verward keek ik zijn richting in. Ik moest moeite doen om hem goed aan te kunnen kijken. Je hebt wat in mijn drankje gedaan, realiseerde ik me hardop.

Een beetje traag van begrip, nietwaar?

Vol walging wendde ik mijn blik af. Ik wilde zijn vuile, arrogante grijns niet zien. Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat hij opstond. Toen hij me naderde, vreesde ik dat hij me zou neersteken, maar hij passeerde me.

Antonius stond nu tussen mij en de deur in, met zijn rug naar me toe. Wanhopig keek ik de kamer rond, op zoek naar een andere ontsnappingsroute.

Zijn blik was op het schilderij gericht. Hij zuchtte diep voordat hij sprak. Weet je wat ik altijd het moeilijkst vind bij het maken van een schilderij?

Ik negeerde zijn vraag. Vanuit mijn ooghoeken werd mijn aandacht getrokken door een voor mij erg bekend object, dat zich onder de bank bevond. Mijn tas.

Het is niet iets waar de meeste kunstenaars moeite mee hebben, zoals inspiratie, zei hij, wellicht meer tegen zichzelf dan tegen mij.

Ik probeerde me subtiel tijgerend naar de bank te begeven, terwijl hij doorsprak. Wat ik het moeilijkst vind, is de titel. Deze dient immers perfect te passen bij de structuur, de-

Pijn schoot door me heen toen hij me plots bij mijn haren greep. Geschrokken slaakte ik een gil.

Je luistert niet eens, zei hij. Maar prima. Ik had toch al door dat een diepgaand gesprek met jou niet mogelijk zou zijn.

Ik weet niet wat hij in mijn drankje had gedaan, maar het was in ieder geval bijzonder effectief. Het kostte me veel moeite om weerstand te bieden. Desondanks sloeg en schopte ik schreeuwend om me heen terwijl hij me aan mijn haren over de grond trok. Toen ik me los probeerde te wurmen, greep hij me bij beide armen vast en sleepte me de kamer uit. Weg van mijn tas; weg van mijn redding. Hij duwde me een andere kamer in, waar hij me hardhandig tegen de grond smeet.

Mijn tegenstribbelingen hadden zijn tol geëist; ik voelde me nu nog zwakker dan voorheen. De deur viel met een klap dicht.


Toen ik de groep verliet dacht ik dat ze me nooit zouden kunnen traceren. Al binnen enkele weken stond Hendrik echter al aan de deur van mijn studio.

Van de schrik knalde ik de deur direct voor of om exact te zijn tegen zijn neus dicht.

Truus, doe alsjeblieft open. Zijn stem was kalm, zoals altijd.

Ik beet even op mijn lip. Hendrik hoefde nooit te commanderen; zijn oprechtheid maakte hem een natuurlijke leider. Toch negeerde ik zijn verzoek. Ik ga niet terug naar de groep, meldde ik hem.

Dat hoeft ook niet.

Ik hoopte dat hij weg zou gaan, maar wist wel beter. De stilte werd steeds langer, steeds ondraaglijker. Uiteindelijk slaakte ik een zucht en opende de deur.

Dank je, zei hij. Hendrik nam plaats aan tafel. Ik bleef staan, mijn armen defensief over elkaar gevouwen. Wat kom je doen?

Praten.

Ik trok mijn wenkbrauwen op. Met als doel me over te halen om terug te komen naar de groep, zeker?

Natuurlijk zou ik je graag terug in de groep willen zien. We missen je. Maar we respecteren je keuze, ondanks dat deze ons zwaar valt.

Een gevoel van warmte overspoelde me toen ik hoorde dat ik toch gewenst bleek, maar ik wilde helemaal niet dat dit me zoveel deed. Ik probeerde mijn gezicht neutraal te houden en reageerde zo afstandelijk mogelijk. Bedankt voor de mededeling. Fijne reis terug.

Hendrik kantelde zijn hoofd lichtjes. Truus, ik vind het echt zonde dat je dit masker draagt.

Het is maar make-up, hoor.

Zijn mondhoeken gingen een beetje omhoog. Ik heb het niet over een fysiek masker, maar over je houding. Een verandering in omgeving zal je niet helpen, zolang je zelf niet verandert.

Ik kneep mijn handen tot vuisten en voelde de nagels in mijn huid zinken. Hij hoefde niet zo neerbuigend te doen. Ben je nu helemaal hier naartoe gekomen om me te bekritiseren? beet ik hem toe.

Hij schudde zijn hoofd. Ik wilde gewoon weten hoe het met je ging en je vertellen dat je altijd welkom bent om terug te keren naar de groep. Het was niet mijn bedoeling je te beledigen.

Me niet beledigen? Je doet alsof ik een incapabele imbeciel ben.

Dat is niet hoe ik je zie, begon hij, maar ik liet hem niet uitspreken.

Ik kan verdomme prima voor mezelf zorgen. Daar heb ik jou en de rest van de groep echt niet voor nodig.

Truus, zei hij, maar ik wees naar de deur.

Ga weg, zei ik, mijn stem zo koud mogelijk.

Hij slikte zijn verdere woorden in. Zijn bezorgde blik zorgde ervoor dat mijn handen begonnen te trillen. Ik probeerde dit echter te verbergen en hield mijn ogen strak op de zijne gericht, in de hoop zo standvastig mogelijk over te komen.

Een zucht ontsnapte hem. Ik zal gaan, zei hij.

Lijkt me verstandig.

Hij passeerde me met hangende schouders. Onzekerheden creëren gevaarlijke monsters, Truus. Hopelijk zal je dat op tijd inzien.

Zonder een woord te zeggen klapte ik de deur achter hem dicht. Met ingehouden adem wachtte ik tot hij weg was. Vervolgens zakte ik door mijn benen en al snel stroomden de tranen over mijn wangen. Ik had niet zo grof tegen hem willen zijn, maar ik moest wel.

Als hij langer was gebleven, had ik mijn tranen niet kunnen bedwingen. Dan had ik hem verteld dat ik eindelijk had begrepen waarom ik me niet thuis voelde in de groep.

De groep streefde naar gelijkheid, met haar zogenaamde broeders en zusters, maar dat was slechts een illusie. De echte wereld kende geen gelijkheid: je had de sterken en de zwakken. Je had hen, en mij.

Terwijl ik de tranen van mijn gezicht wreef, nam ik mezelf voor om deze nooit meer te laten vloeien. Zwakte, dat was het. Ik had een nieuwe start gemaakt. Truus was zwak, maar Someya zou absoluut tot de sterken gaan behoren. Hoe dan ook.


Versuft keek ik om me heen. Ik besefte dat ik me in een atelier bevond. Terwijl Antonius in een van de kasten aan het rommelen was, wilde ik overeind komen. Mijn lichaam bleek echter te zwak.

Hij haalde een mes tevoorschijn. Grijnzend richtte hij zich op mij, maar ik probeerde mijn angst te verhullen. Heb je nu serieus in iedere kamer een mes liggen?

Even leek hij van zijn stuk gebracht en hierdoor voelde ik me iets zekerder. Je laat me nu gaan, commandeerde ik, dan zal niemand van dit misverstand horen.

Antonius leek zijn mes uitgebreid te bestuderen voordat hij sprak. En anders?

Daar hebben we het over gehad. De groepscode

Juist! onderbrak hij me, Dat zeg je exact goed: groepscode.

Ik mag dan geen groep hebben, maar jij... Zijn grijns zorgde ervoor dat ik mijn zin niet afmaakte. Jij bent ook een groepsverlater, concludeerde ik.

Hij knikte, waarna hij een schort aantrok dat vol gekleurde vlekken zat. Het nadeel van een groep is dat ze het individu niet respecteren, zei hij, terwijl hij een leeg canvas op een schildersezel zette. Ik ben een kunstenaar, ik kan niet leven met die conformiteitsdwang.

Je haat conformisme, maar je spoort wel groepsverlaters op. Dat is een vreemde combinatie.

Hij haalde zijn schouders op. Iedereen weet dat verlaters een gevaar voor onze samenleving kunnen vormen, daarom mogen zij zich ook ten alle tijden bij een groep aansluiten.

Wellicht ligt het aan de toevoeging van mijn drankje, maar hoorde ik je nu zeggen dat ik me wel gewoon bij een groep kan aansluiten?

Antonius ging op zijn hurken voor me zitten. Zijn stem was nu erg zacht. Daar zijn de codes erg duidelijk in. Als ik je onrechtmatig ombreng, word ik door mijn groep vervolgd.

Met een vleugje opluchting liet ik een zucht ontsnappen, maar een scherpe pijn deed me direct weer naar adem snakken. Ik keek naar beneden, naar het mes dat diep tussen mijn ribben was gestoken. Rode vlekken verschenen op mijn witte blouse.

Helaas voor jou, heb ik geen groep, zei hij, zijn gezicht dicht bij het mijne.

Een venijnige pijn ging door me heen toen hij het mes terugtrok. Bloed sijpelde uit de wond. Met opeengeklemde kaken keek ik toe hoe hij naar het doek liep en daar met het mes grove, donkerrode strepen op zette.

Je bent echt wel erg traag van begrip, mompelde hij, terwijl hij met een kwast zwarte verf aan het doek toevoegde. Eerlijk gezegd had ik je ondanks alles toch wel wat intelligenter ingeschat.

Hij deed een stap achteruit en streek nogmaals met het mes over het canvas. De tinten mengden zich op het doek. Ik probeerde het bloeden te stelpen, maar de dikke vloeistof stroomde tussen mijn vingers door. Waarom? wist ik uit te brengen.

Waarom ik je bloed gebruik, bedoel je? Nou, gewone verf is zo banaal en mensenbloed wordt na een tijdje wat bruinig, dus dat ziet er ook niet uit. Zombiebloed wordt met de jaren juist lichter, waardoor een schilderij nog lang van kleur verandert. Ironisch eigenlijk, dat het bloed van de doden mijn werken tot leven brengt.

Mijn hoofd voelde zwaar. De strepen op het schilderij leken te dansen, ze vormden bijna een ballet met de donkere vlekken voor mijn ogen. Een melancholisch gevoel overspoelde me terwijl ik terugdacht aan mijn voormalige groep.

Ik miste de glimlach van Hendrik, wanneer hij me een stuk hersenen toedeelde, wetende dat ik dat als een lekkernij beschouwde. Ik miste de zachte blik van Annemarie, wanneer ze weer eens even kwam kletsen, feilloos aanvoelend wanneer ik wel wat bemoedigende woorden kon gebruiken. Ik miste zelfs de saamhorigheid bij de jacht. Ondanks dat de groep groot genoeg was om een prooi in te sluiten, bleef men toch altijd aangeven dat ik daarbij niet gemist kon worden.

Langzaam realiseerde ik me dat de hele groep me altijd goed had behandeld. Zij zagen mij echt als een gelijke. De enige die op mij had neergekeken, was ikzelf geweest. Het was toen, dat ik snapte wat Hendrik had bedoeld. Anderen waren nooit het probleem geweest. Mijn eigen onzekerheden hadden een monster van me gemaakt.

Dat besef was venijniger dan de pijn van het mes.

Antonius knielde weer naast me neer. Langzaam streek hij met het mes door de plas met bloed die zich inmiddels op de grond had gevormd. Zijn stem leek van ver te komen. Ik heb er al de hele avond over nagedacht hoe ik dit werk ga noemen. Ik heb inmiddels een passende titel gevonden. Zijn mondhoeken kropen omhoog. Ik noem het: Pretentieus.

Ik beet op mijn lip en wendde mijn ogen af. Ontkennen had geen zin; deze titel was inderdaad passend voor een werk van mijn bloed. Dat ene woordje was de rode draad van mijn destructieve pad, dat nu naar mijn eigen ondergang zou leiden.

Antonius schampere lach veroorzaakte kippenvel over mijn lichaam. Ik probeerde hem aan te kijken, maar kon mijn hoofd amper omhoog houden. Hij bracht zijn hand dichterbij en streek door mijn haren. Ach, Truus, ben blij: nu ben je ten minste nog ergens goed voor.

Ik balde mijn vuisten en voordat ik besefte wat ik deed liet ik mijn tanden diep in zijn arm zinken. Een schreeuw ontsnapte hem en ik gaf hem een valse blik terwijl ik een stuk uit zijn huid trok. Mijn ogen werden groot toen ik me realiseerde dat ik het instinctief had doorgeslikt.

Jij vuile begon Antonius, maar alles leek zich vertraagd af te spelen. Mijn zicht werd scherper en de pijn verdween. Kracht stroomde door mijn aderen, een kracht die ik nog nooit eerder had ervaren. Ik stond op.

Vloekend haalde Antonius uit, maar ik greep zijn arm alsof het niets was. Zijn ogen werden groot. Wat? wist hij uit te brengen.

Een grijns verscheen op mijn gezicht. Jij vindt mij pretentieus?

Antonius probeerde zich tevergeefs los te worstelen, maar ik sprak onverstoord verder. Jij, een zogenaamde kunstenaar, met je prutswerken die je over en van de lijken van anderen creëert, denkt anderen pretentieus te mogen noemen?

Met mijn vrije hand greep ik hem in een snelle beweging bij zijn keel en hield hem met één arm tegen de muur omhoog. Zijn benen bungelden boven de grond en hij keek me met grote ogen aan, blijkbaar te verbouwereerd om te reageren.

Ik zag zijn blik afglijden naar zijn arm. Nu kreeg hij door dat zijn vlees mij kracht gegeven had, en meer kracht dat ik ooit van had durven dromen. Ik moest hier een einde aan maken, voordat hij deze kennis in zijn voordeel zou gaan gebruiken en hij zijn tanden in mij zou zetten.

Ik smeet hem op de grond en greep zijn hoofd met beide handen vast. Het was gezellig, schat, zei ik, waarna ik zijn hoofd een flinke draai gaf. Het kraken van zijn nek veroorzaakte een glimlach op mijn gezicht. Maar een tweede afspraakje zit er helaas niet in.


In stilte wachtte ik langs de donkere landweg, verscholen tussen het struikgewas. In de verte zag ik een koplamp van een naderende scooter op het fietspad. Ik wierp een blik op mijn horloge. Mooi op tijd.

Een stukje verderop klonk gekuch. Het signaal. Zwijgend liep ik het fietspad op, waar Annemarie mijn blik ontmoette. Ze gaf me een glimlach voordat we de scooter schouder aan schouder tot stoppen dwongen. De rest volgde en sloot de jongen in. Hij probeerde te vluchten maar we waren met te veel, dus verder dan de berm kwam hij niet.

Vanaf het fietspad keek ik toe hoe de prooi vocht voor zijn leven. Hij maakte geen schijn van kans. Stiekem had ik deze manier van jagen misschien toch wel gemist, realiseerde ik me.

Enkele dagen geleden was ik teruggekeerd. Hendrik had mijn kamer nog voor me vrijgehouden, voor het geval ik terug zou komen en het zorgde ervoor dat ik me direct welkom voelde. Toen ik na het herinrichten van mijn kamer rondkeek, besefte ik dat ik me er nu meer thuis voelde dan ik ooit had gedaan. Het had niet lang geduurd voordat de deur was opengezwaaid. Zonder aankondiging, dus ik was niet verrast toen ik oog in oog stond met Annemarie. Even werden haar ogen groot en voordat ik het wist, vloog ze om mijn nek. Ik hoorde van Hendrik dat je terug was, maar ik moest het zien om het te geloven.

Een glimlach verscheen op mijn gezicht. Ik ben ook blij jou weer te zien.

Haar ogen gleden door mijn kamer. Die is nieuw, zei ze, terwijl ze naar mijn vrieskist liep. Ze wilde deze openen, maar een groot cijferslot weerhield haar ervan. Wat zit erin?

Ik haalde mijn schouders op. Niets bijzonders.

Haar ogen vernauwden, maar ze liet het voor wat het was. Tegen mijn verwachting in was ze er verder ook niet meer over begonnen.

Ik werd uit gedachten getrokken toen Hendrik naast me kwam staan. Hij legde zijn hand op mijn schouder en richtte zijn blik op de inmiddels dode prooi.

Een pizzakoerier, zei Hendrik. Geweldig idee, zuster. Dat we daar nooit aan gedacht hebben.

Ik haalde mijn schouders op. Ach, het maakt de jacht een stuk efficiënter. De volgende keer kunnen we misschien Chinees bestellen.

Kom, anders wordt het eten koud, zei Hendrik met een knipoog.

Het voelde even raar om weer samen met de groep te eten. Het geluid van de krakende botten en het gesmak om me heen had ik voorheen irritant gevonden, maar vreemd genoeg vond ik het nu wel wat hebben. Even dacht ik terug aan Antonius. Zijn vlees had me krachtiger gemaakt, maar het waren zijn woorden geweest die me mijn fouten hadden laten inzien. En ja, het voelde heerlijk om zo sterk en snel te zijn, maar ik had Antonius niet nodig. Ik was goed, zoals ik was. Natuurlijk was het toch een fijn idee om zijn lichaam in stukken gehakt in mijn vrieskist te hebben liggen, gewoon voor het geval dat. Iedere vrouw heeft zo wel haar geheimpjes, nietwaar?

Ik keek rond, naar de met bloed besmeurde gezichten om me heen, en een gevoel van warmte overspoelde me. Ik had altijd bij hen gehoord, maar nu pas voelde ik me ook echt deel van de groep.

Hendrik keek me aan. Voor jou, zuster, zei hij, waarop hij me een stuk hersenen aanreikte.

Ik wist inmiddels dat mijn theorie over een goed stel hersenen niet klopte, maar dat maakte het er niet minder smakelijk op. Misschien werd het tijd dat ik me niet meer als een monster gedroeg. Een glimlach verscheen op mijn gezicht en met de rug van mijn hand wreef ik het bloed van mijn kin. Dank je, broeder.


De Brabantse auteur Debby Willems schrijft voornamelijk korte verhalen en heeft daarin een grote voorliefde voor het fantastische genre. Veel van haar verhalen zijn gepubliceerd in diverse bundels en tijdschriften, met als haar grote trots Breekbaar, dat als boekje werd uitgebracht in de Splinters- reeks van Quasis Uitgevers.

Daarnaast behaalde Debby diverse hoge noteringen in schrijfwedstrijden. Zo werden haar verhalen meerdere malen genomineerd, o.a. voor de Edge.Zer0 award. Ook won zij diverse prijzen, waaronder de eerste prijs bij de Waterloper Verhalenwedstrijd.

In het dagelijks leven werkt Debby als docente Engels in het voortgezet onderwijs. In haar vrije tijd leest ze graag, maar ze is ook vaak in het bos te vinden met haar honden – dat is immers haar favoriete plek om in alle rust te brainstormen over nieuwe verhalen.

Website: http://debbywillems.wordpress.com

‘Een goed stel hersenen’ is een van de eerste verhalen die zij schreef. Onder de titel ‘Je bent wat je eet’ behaalde het bij de PHP 2014 ondanks de beginnersfoutjes de eindronde. De herschrijving onder de nieuwe titel ‘Een goed stel hersenen’ belandde na een diskwalificatie bij Fantastels (een jaar te vroeg ingezonden als veteraan) op de shortlist van allereerste editie van Edge.Zer0, waar het nét buiten publicatie viel.

Vonk is een blog met verhalen, recensies, nieuws en opinies uit en over Nederlandstalige fantasy, sciencefiction en horror. Heb je vragen of opmerkingen, neem dan contact op via mail of Twitter.
Meer informatie over Vonk, privacy en recensies.

Redactie: Tom Kruijsen
Mail: tom@vonkfantasy.nl

Volg Vonk:
@vonkfantasy
vonkfantasy

Verhalen: magazine@vonkfantasy.nl

Je kunt Vonk steunen via Patreon. Al vanaf $1 per maand steun je dit blog en de schrijvers van de verhalen. Deze mensen gingen je voor en daarvoor zijn we erg dankbaar.

Ben je schrijver? Lees hier alles over het inzenden van je verhaal voor Vonk Magazine.