Ik zag de schim van mijn dode broer toen ik uit het raam van mijn appartement keek. Ik keek hem een paar seconden aan en wist niet wat ik moest zeggen terwijl honderden emoties door mijn lijf raasden.

Rotzak, was het eerste dat uit mn mond ontsnapte. Ja, het was echt zijn schim, dat wist ik zeker, ook al had ik zoveel schimmen al gezien in mijn baan als medium het postuur van mn broer herkende ik uit duizenden. Hij was erg klein, ongeveer zo groot als het topje van mn pink, maar dat kwam door de afstand. Hij was doorzichtig en wit, maar duidelijk zichtbaar boven de straat die ik altijd zag als ik het raam uit keek.

Rotzak, herhaalde ik. Nu?! Nu pas kom je, nadat ik zowat al mn haren uit het hoofd heb getrokken? Vond je het leuk om me te zien worstelen terwijl de rest van de familie riep, hij heeft echt zelfmoord gepleegd, doe niet zo gek? Als ik een lichaam aanraakte kon ik voelen of de schim in kwestie nog in deze wereld was. Als dat zo was, dan was dat omdat ze nog iets wilden vertellen. Bijna altijd hield dat in dat diegene was vermoord en de moordenaar nog vrij rond liep.

Natuurlijk had ik zijn lichaam aangeraakt. Daarom was ik zo zeker dat het geen zelfmoord was, want welk ander geheim zou hij nog kunnen hebben?

De kleine schim van mijn broer hief, voor zover ik dat kon zien, ter verdediging zijn handen. Hij kon niet praten, schimmen konden geen geluid maken.

Hij heeft een half jaar gewacht voordat hij zich aan je toonde, dacht ik bij mezelf. Hij moet wel iets heel belangrijks op zijn kerfstok hebben. En dan scheld jij hem uit?

Plus, zoveel haren heb je ook niet meer op je hoofd. Dat was iets dat mijn broer gezegd zou hebben.

Dat hielp, gek genoeg. Ik haalde een paar keer diep adem.

Het spijt me, zei ik tegen zijn schim. Het verdriet is nog te vers. Ik had zo mn best gedaan om je te ondersteunen na het ongeluk van je vrouw en vervolgens pleegde je zelfmoord en zag ik je schim maar niet Ik schudde mijn hoofd. Het voelde alsof ik niet genoeg was. Ik zuchtte. Je bent vermoord, hè?

De schim van mijn broer gaf geen reactie. Hij keek me alleen afwachtend aan. Ik wist wat hij van me wilde, maar ik had nog even de tijd nodig om me bij elkaar te rapen.

De schim was zo klein omdat hij aan een bepaalde plek was gekoppeld. Hij wilde mij daar hebben. Als ik naar die plek toe ging, zou hij langzamerhand groter worden, totdat hij zijn normale grootte had. Wat die plek was, had ik al door zijn huis. Mijn broer en ik waren vroeger heel hecht. Dat was flink verminderd toen hij trouwde, maar ik had nog steeds een sleutel. Ik had me er niet toe kunnen zetten om die weg te gooien.

Daarom verscheen hij ook precies op die plek; hij stond er al, en ik kon hem zien boven alle andere dingen die tussen ons stonden.

Mijn broer wenkte naar me hij was nog net groot genoeg dat ik dat kon zien. Ik moest opschieten.

Schimmen konden maar één nacht aan levenden met de gave verschijnen; zoiets kostte zoveel energie dat ze daarna voor altijd zouden vervagen. Dit was de laatste keer dat ik mijn broer ooit zou zien.

Ik probeerde daar niet aan te denken terwijl ik zei: Ik kom naar je toe.


De laatste keer dat ik mijn broer in leven had gezien was een maand na de crematie van zijn vrouw. Hij was bij me op bezoek gekomen, dat wilden we zo af en toe wel eens doen; dan praatten we bijvoorbeeld over mijn werk als medium en vreemde casussen die ik tegen was gekomen. Ik was de beste medium in de stad, dus sowieso was er aan klandizie geen gebrek.

Ik had hem die dag zoals gewoonlijk begroet met: Dag onhandigerd! want dat was mijn bijnaam voor hem geworden. Hij had altijd wel ergens blauwe plekken van, vaak omdat hij tegen dingen op botste of omdat hij bij zaalvoetbal weer wat had gekneusd.

Hij had zn schouders opgehaald en passief gereageerd. Ik had voor hem gekookt. Na het eten had ik een arm om hem heen geslagen en sprak ik hem bemoedigend toe. Wij mannen, in een gezin vol vrouwen, we hadden drie zussen en onze vader was overleden toen we nog jong waren, moeten voor elkaar zorgen. Ik ga je hier doorheen helpen, echt waar. Als je wilt kan je zelfs bij me intrekken als je vindt dat het huis te eenzaam wordt.

Hij had lichtelijk geglimlacht, en even had ik het gevoel gehad dat ik tot hem door was gedrongen.

Toen zei ik: Als je over je vrouw wil praten, ben ik hoe dan ook hier om te luisteren. Ik snap dat het ontzettend pijn doet.

Ik had zn vrouw bewust genoemd. Hij was altijd van het praten over dingen, hij ging ze niet graag uit de weg. Ik had dus verwacht dat hij in huilen zou uitbarsten en zou zeggen, ik mis haar zo.

Ik had zijn antwoord nooit begrepen. Ik moet maar eens gaan.

Had hij een affaire waar ik niets over wist? Was hij zó door de jaren veranderd dat ik hem niet meer kende? Had hij zijn vrouw vermoord? Ik vond het onwaarschijnlijk, want volgens mij waren ze hartstikke gelukkig met elkaar, en bovendien had ik dat dan gevoeld toen ik haar lichaam aanraakte. Want ja, ik kon me bij haar ook niet inhouden, beroepsdeformatie. Maar haar schim had daadwerkelijk de aarde verlaten. Ze had niets te vertellen gehad dus het moest echt een ongeluk zijn geweest.


Waarom? vroeg ik toen ik in de auto zat en de motor startte.

Mijn broer schudde zijn hoofd en wenkte opnieuw.

Alleen bij zijn huis kon ik zien wat hij me wilde tonen. Alleen daar kon hij beelden in mijn hoofd planten. Dat was de tweede manier waarop schimmen konden communiceren, als een soort visioen.

Dus slikte ik mijn bezwaren weg en begon ik te rijden.

Ik mis je, onhandigerd, zei ik tegen zn schim.

Hij trok kort een mondhoek op in een halve glimlach.

Het is toch gek, ging ik verder. Ik heb dit al talloze keren gedaan met talloze schimmen, maar het is toch anders als het iemand betreft die je kent. Ineens komen al die emoties op de proppen. Ik zuchtte. En nou moet ik op de weg letten, zei ik, waarna ik mijn uiterste best deed om hem niet nog een keer aan te kijken.

Eenmaal aangekomen parkeerde ik de auto en pakte ik mn sleutels erbij. Mijn broer was inmiddels bijna even groot als tijdens zijn leven ik was op de goede plek.

Natuurlijk had ik de sleutel van zijn huis nog aan de bos hangen. Ik zocht hem dan ook meteen op. Ik liep richting de voordeur.

En besefte toen pas dat het huis inmiddels verkocht was. De sloten waren allang vervangen. Ik hief mijn armen naar mijn broer. Zie je? Dat gebeurt er nou als je te lang wacht.

Ik stond op het punt om het op te geven toen mijn broer zn hoofd schudde en naar het slot gebaarde, en weer naar mijn sleutel.

Ik fronste. Wat?

Mijn broer wees opnieuw.

De sloten zijn niet vervangen? Waren ze dat vergeten met de verhuizing?

Hij glimlachte. Inderdaad, de sloten waren niet vervangen.

Oké, maar de huidige bewoonster slaapt hier nog. Eén te hard geluid en ik zit in de bak. Dat ik medium ben wil niet zeggen dat ik me niet aan de wet hoef te houden.

Nu schudde mijn broer zijn hoofd. Hij maakte een kruis met zijn armen.

Ik fronste. Ze is er niet?

Mijn broer knikte. Hij spreidde zijn armen.

Ze vliegt? Is ze op vakantie?

Mijn broer knikte opnieuw.

Heb je daarom zo lang gewacht? Je wachtte tot ze wegging?

Weer een knik.

Hij moest hier dan al heel lang hebben gewacht, redeneerde ik. Wachtend totdat de huidige bewoonster op vakantie ging die hele tijd was hij zich bewust geweest wat er in de realiteit was gebeurd, zonder dat iemand hem kon zien. In die staat werden schimmen uiteindelijk zwakker. We zouden dus niet al teveel tijd hebben.

Maar dan nog. Misschien was ze nog op Schiphol. Misschien had ze een inbraakalarm, of had ze de buren gevraagd om op te letten. En die zagen dan zomaar een vreemde het huis binnen komen.

Ik wilde heel graag omdraaien en weglopen, maar het betrof mijn broer. Dus liep ik naar binnen, zachtjes in mezelf scheldend.

De gang zag er totaal anders uit dan eerst. Toen mijn broer er woonde was het een vrij neutraal lichtgele kleur, maar nu was de gang een zacht roze. De veel te grote schoenenkast was vervangen door een klein, onopvallend kastje in de hoek, en er hingen fotos van mensen aan de muur die eerst volledig kaal was geweest.

Ik opende de deur en keek uit op de gang, waarvandaan twee deuren beneden leidden naar de logeerkamer en de werkkamer. In het midden van de gang stond een grote trap met daarboven een vide, een brug tussen de deuren één verdieping hoger. Alles zag er nog relatief hetzelfde uit.

Aan de voet stond mijn broer. Nu had hij zijn normale lengte.

Kom maar op, zei ik tegen hem. Wat wil je me laten zien? Dit was de plek waar de politie hem had gevonden hangend van één van de pijlers van de vide. Wie heeft je vermoord? Was het een affaire? Eén van onze zussen? Onwaarschijnlijk, maar ik wilde antwoorden.

Mijn broer zuchtte nog een keer en schudde zijn hoofd.

Kom dan, herhaalde ik. Kom maar met dat visioen.

Mijn broer hief zijn hand.

Ik slikte, bereidde me nog één keer zo goed mogelijk mentaal voor, en liep op zijn hand af.

Zodra die mijn hoofd raakte zag ik een seconde niets, waarna ik een aantal maanden terug in de tijd ging.

Ik stond op dezelfde plek. De vide zag er weer uit zoals ik hem me herinnerde. Aan de bovenkant stonden mijn schoonzus en broer. Dat verbaasde me. Ik ging dus niet zijn dood zien.

Mijn schoonzus schold mijn broer de huid vol.

Je kan niks! riep ze, en ik dook van schrik naar achteren. Ik vroeg je om de vide te stofzuigen en te dweilen, en je vergeet het gewoon weer! Hoe vaak moet ik het nog zeggen!

Het spijt me! riep mijn broer. Hij hield zn handen op. Ik was zo druk bezig met werk, ik had een deadline om te halen!

Die je zeker ook niet gehaald hebt, zei ze, haar armen over elkaar. Want je was FreeCell aan het spelen. Leuk hè, thuiswerken?

Nee!

Wat heb ik je dan zien doen gisteren toen ik net terugkwam van werk?

Ik sputterde mijn broer tegen, ik had hard gewerkt! Ik was toe aan ontspanning!

Ik woon samen met iemand die liever FreeCell speelt dan mij helpt in het huishouden. Goed om te weten. Ze draaide zich om en stormde een kamer in. Mijn broer keek even moedeloos voor zich uit.

Ik probeerde zijn blik te vangen, al wist ik dat hij me niet kon zien. Ik snapte er niets van. Natuurlijk, ik mocht mijn schoonzus absoluut niet, maar dit was niets voor haar. Ze schreeuwde nooit tegen mijn broer.

Als ik erbij was, was het misschien niet altijd honderd procent perfect, maar dat was geen enkele relatie. Ik had altijd gedacht dat ze het prima met elkaar hadden kunnen vinden.

Schat, zei hij na een lange stilte.

Ja? klonk het vanuit de kamer. Ik kon mijn schoonzus niet zien.

Dit gebeurt iedere keer als ik iets vergeet.

Dat klopt, klonk het heel feitelijk. Je moet dan ook niets vergeten.

Het gebeurt ook als ik de vide wel stofzuig en dweil, maar een hoekje vergeet.

Inderdaad.

Of als ik de was vergeet.

Dat klopt.

Hij keek moedeloos naar voren terwijl hij op zn sleutelbeen drukte in een bijna afwezige beweging. Hij dook een beetje ineen.

Nee, dit was niet de dood van mijn broer, wist ik toen ik hem die beweging zag maken. Mijn broer was de dag voor de dood van zijn vrouw toevallig bij mij langs geweest. Hij had toen een blauwe plek op zijn sleutelbeen. Tegen de deur aan gelopen, had hij tegen mij gezegd.

Het was diezelfde blauwe plek waar hij over wreef.

Dat was dus niet waar en dit was niet zijn dood.

Shit.

Ik wil bij je weg, klonk het.

Onhandigerd was helemaal niet zo onhandig.

En ik had het helemaal niet gezien.

Mijn schoonzus verscheen weer, leunend in de deuropening. Pardon?

Ik hou dit niet meer vol. Ik wil je verlaten.

Jij? Ze keek hem een paar ijzingwekkende seconden aan.

Ik wist wat er ging gebeuren. Ik voelde het, en ik wilde schreeuwen zoals ik nog nooit eerder bij een visioen had gedaan.

Mijn schoonzus schoot in de lach. Doe me een lol, zeg. Jij bent echt niets waard in je eentje.

Mijn broer zuchtte. Misschien, maar dan voel ik me wel veiliger. Ik ben al dat gepest van jou helemaal zat.

Alleen maar omdat je zon watje bent die het niet aan kan. Waar wil je heen?

Mijn broer? Mijn moeder? Mijn zussen?

En wat ga je ze vertellen? Mijn vrouw slaat me? Boehoehoe, ik ben zon zielenpoot? No way dat iemand dat gelooft.

Even was het stil. Mijn schoonzus liep dichter naar mijn broer toe, haar gezicht van me afgewend.

Er liepen tranen over mijn wangen.

Je meent het, klonk het geschrokken. Je wil echt bij me weg. Ondanks dat je niets waard bent alleen.

Ik kan het niet meer aan, snikte hij.

Watje. Huilebalk. Je maakt echt geen enkele kans daarbuiten. Je bent niets waard zonder mij. Daar kwam de eerste klap. Ik voelde hem tot diep in mijn ziel. Wie gaat jou geloven? Je bent zoveel sterker dan ik, denkt de buitenwereld. Nog een klap.

Mijn broer zou nooit terugslaan.

Weer een klap. Je bent een watje. Een schop. Niemand gelooft je. Ik kon alleen maar van beneden toekijken. Ik wilde haar zo graag stoppen, maar ik stond aan de grond genageld. Ik kon niet bewegen.

Stop! riep mijn broer tussen de klappen door, maar zijn vrouw luisterde niet.

De duw kwam vanzelf, in een wanhopige poging om de klappen maar te laten stoppen. Daardoor moest ze een stap naar achteren zetten, haar voet zoekend naar grond die iets lager was dan verwacht.

Ze gilde terwijl ze de trap af viel.

Mijn broer snakte naar adem toen ze landde. Er vormde zich een plas bloed bij haar hoofd. Hij rende huilend naar beneden en schreeuwde haar naam, schudde haar lichaam.

Het beeld vervaagde. Alles wat ik nog zag was de schim van mijn broer. Alles wat ik nog voelde waren mijn tranen.

Normaal gesproken werd ik niet emotioneel bij een visioen, dat vond ik onprofessioneel maar hier kon ik me niet goed houden. Ik moest me bij elkaar rapen. Ik slikte een paar keer, haalde een keer of twee diep adem, en keek de schim van mijn broer strak aan.

Toen de politie kwam, zei ik uiteindelijk maar, gingen ze ook uit van een ongeluk, hè? Je hebt het ze niet verteld, uit schuldgevoel, en omdat je bang was dat ze niet zouden geloven dat ze jou sloeg.

Mijn broer knikte.

En natuurlijk bleef de schim van je vrouw niet in deze wereld. Dan zou ze aan mij moeten laten zien dat ze jou mishandelde. Dus vluchtte ze weg. Oké. Ik wreef nog een keer in mijn ogen. Wie heeft jou vermoord?

Hij keek me medelijdend aan en schudde toen zijn hoofd.

Wie. Heeft jou. Vermoord? herhaalde ik fel.

Het was een paar seconden stil terwijl mijn broer zijn hoofd bleef schudden.

Ik begrijp dat je mishandeld werd door je vrouw, zei ik. Ik haat mezelf dat ik dat niet gezien had. Ik haat dat ik jou onhandigerd noemde. Maar wie heeft jou vermoord?

Weer geen antwoord. Alleen dezelfde reactie.

Laat het me zien! commandeerde ik hem. Laat me zien wie jou heeft vermoord zodat ik die persoon achter tralies kan zetten!

Ergens daar sloeg mijn stem over.

Want je bent vermoord! riep ik. Dat moet! Je bent vermoord!

Geen reactie. Mijn broer hield zn armen over elkaar.

Want het alternatief is het alternatief is is dat je

Ik begroef mijn hoofd in mijn handen. Mijn knieën knikten, ik kon niet langer blijven staan. Ik plofte neer op de grond en huilde.

Je hebt zelfmoord gepleegd, kraakte mijn stem uiteindelijk na ik weet niet hoe lang. Omdat ik het niet gezien heb. Omdat ik niet goed genoeg mn best had gedaan om je hier te houden. Omdat ik een stommeling ben die de waarheid niet kon zien, al beet het me in mijn gezicht.

De lippen van mijn broer trilden en er liepen tranen over zijn wangen. Doorzichtige, niet-echte tranen.

Hij begon te vervagen.

Nee! riep ik onwillekeurig. Blijf! Blijf hier! Maar ik wist dat het geen zin had. Zijn energie was op. Nog even en ik zou hem echt nooit meer zien.

Je had niets kunnen doen, zei mijn hoofd in een gedachte waarvan ik zeker wist dat die niet van mij was. Ik had je daar nooit de ruimte voor gegeven en ik wilde professionele hulp die ruimte ook niet geven, en daar heb ik nu spijt van. Toen ik nog leefde deed ik er alles aan om de mishandeling verborgen te houden. Nadat mijn vrouw stierf heb ik het je ook nooit verteld. Daarom voelde je me. Ik wilde dat je het wist, en dat alles me spijt.

Zo communiceerden geesten niet, geen enkel medium had dat zo meegemaakt. Het konden niet zijn gedachten zijn die ik door mijn hoofd voelde. Maar toch was het zo.

Door mijn tranen heen glimlachte ik naar mijn broer, wier gezicht nu als enige over was. Zijn gezicht glimlachte terug voordat het ook vervaagde.

Ik wreef in mijn ogen en stond op. Ik moest hier weg, wie weet was de huidige eigenaar van het huis onderweg. Ik was niet echt stil geweest.

Ik liep de deur uit en moest hem achter me dicht doen. Natuurlijk, ik was aan het inbreken.

Maar ik bleef even aarzelen terwijl de deur op een kier stond. Het zou de laatste keer zijn dat ik ooit in dat huis was.

Dag onhandigerd, zei ik uiteindelijk na nog een keer diep ademhalen. Ik ga je missen.

Het spijt me dat ik de grootste stomkop was.

De deur viel in het slot.


Alexander Verbeek is 29 en woont alleen in Rotterdam-Zuid. Overdag is hij kinder- en jeugdpsycholoog, en als hij daarmee klaar is pakt hij graag zijn laptop erbij om wat te gaan schrijven; fantasy of geen fantasy, kort of lang verhaal, niets is te gek. Naast schrijven is hij gek op gamen en hardlopen, leest hij graag, en hoopt hij als de pandemie voorbij is weer terug te kunnen naar zijn dojo voor zijn wekelijkse uurtje judo.

Lees hier meer verhalen