Vonk logo

Het huurrijtuig had hem voor een smal steegje afgezet. Vlak bij de ingang stond een gammele gaslantaarn. In het vale licht kon hij nog net de eerste huisjes onderscheiden. Als een stel lallende dronkaards schurkten ze tegen elkaar aan, om broederlijk in het nevelige duister te verdwijnen.

‘Daar, my lord.’ De struise man op de bok wees naar een uithangbord dat hem tot nu toe was ontgaan, halverwege de steeg. Er hing een kleine gevellantaarn naast, die een speldpuntje licht voortbracht. De zandloper op het verweerde uithangbord was met moeite te onderscheiden. 

Hij drukte de man een van zijn laatste penny’s in de hand, trok zijn lakense jas dichter om zich heen en liep de modderige steeg in. Een zilte geur vermengde zich met de stank van de Londense achterbuurten. Blijkbaar was hij niet ver van de Theems.

Achter hem verdween het huurrijtuig ratelend in de nacht. Hij had overwogen om het te laten wachten. Hij zou het gedaan hebben ook als hij het zich had kunnen permitteren, maar na de rampzalige dag die hij achter de rug had, liet zijn beurs hem zelfs dat eenvoudige genoegen niet meer toe. De weinige munten die er nog in zaten, waren niet eens van hem. 

Als de eerste de beste schooier had hij ze moeten lenen. Tegen onderpand weliswaar. Boos keek hij naar de kalfslederen handschoen die de lege plek aan zijn ringvinger verborg. Die vervloekte Honeywell ook. Die schurk moest wel vals gespeeld hebben, dat kon niet anders. Zelfs zijn hoed was hij aan die duivel kwijtgeraakt. 

Al een geluk dat hij zijn wandelstok nog had. Hoe had hij anders moeten overeind blijven in deze … Zijn rechterschoen zonk weg in de glibberige laag prut. Vloekend trok hij hem terug. Wat een plaats om een winkel uit te baten. Het was hier zo donker als de hel. De uitkragende huisjes rond hem helden zo ver naar elkaar toe dat ze de maan vakkundig buitensloten. 

‘Een discreet adres,’ had de koetsier gezegd.

Nou, discreet was het zeker. Bij de ingang van de steeg had het lichtje van de kleine gevellantaarn helemaal niet zo ver af geleken, maar nu leek het een eeuwigheid te duren eer hij op zijn bestemming was. 

Gelukkig slaagde hij er inmiddels aardig in de modder en de plassen te omzeilen. Over de inhoud van die laatste dacht hij maar liever niet na. Hij betwijfelde ten zeerste of het regenwater was.

Sakkerend belandde hij uiteindelijk bij de winkel. Uit de mistige schaduwen naast het heen en weer wiegende bord dook een zware, gesloten deur op. Links ervan bevond zich een klein venster. De vierkante ruitjes waren aangeslagen. Al wat hij kon zien, was dat er binnen licht brandde. Even flauwtjes als in de lantaarn boven het uithangbord, maar het was er. Ondanks het nachtelijke uur waren ze dus wel degelijk nog open, net zoals de pandjesbaas die hem zijn zegelring afhandig had gemaakt, hem had verzekerd. 

Normaal begaf hij zich naar heel wat deftigere tijdsetablissementen, maar die zouden bij zijn huidige situatie even nutteloos zijn als een damesparaplu bij een sneeuwstorm. Bovendien lagen de uitbaters al lang in bed.

Een vlaag van twijfel overviel hem. Ging hij dit echt doen? Maar wat moest hij anders? Dankzij die valse pad van een Honeywell was hij alles kwijt. Zijn huis in de stad, zijn landgoed en alles wat erbij hoorde, zijn kostbare paarden, bij het eerste ochtendgloren zou het allemaal overgaan in handen van die … die … Dat kon hij niet laten gebeuren. Niet zonder alles te doen wat er in zijn macht lag om het te voorkomen. De onverlaat had zelfs geweigerd om hem met zijn koets te laten vertrekken. Hij, lord Thomas Crispin Alderdice Chisholm, graaf van Yarnbury en baron van Borwick, had de club te voet moeten verlaten.

Zijn handen hadden gejeukt om het gezicht van die stinkende vuilak tot moes te slaan. Hij kreeg er hoe langer hoe meer spijt van dat hij het niet had gedaan. Het duel dat er op gevolgd zou zijn, zou hem misschien een betere kans op een goede afloop geboden hebben dan de wanhoopspoging die hij nu ging ondernemen. 

Een paar straten verder liet een zware kerkklok drie trage slagen horen. Hij moest opschieten, voor Honeywell het aan de kaarttafel voor bekeken hield. Als ze hem hier niet konden helpen, kon hij die schoft altijd nog proberen te bewegen tot een duel. En vervolgens alle heiligen in de hemel om hulp smeken. 

In tegenstelling tot zijn vader was hij nooit een begenadigd schutter geweest. Wijlen de majoor zou zijn tegenstander bij het ochtendkrieken feilloos een kogel door de kop gejaagd hebben. Niet dat het bij de vorige lord Chisholm ooit zo ver gekomen zou zijn. Hij was de deugdzaamheid zelf geweest.

Met het zweet in zijn handschoenen duwde hij de zware voordeur open. Ze gaf maar moeilijk mee. Halverwege de onverwacht lastige manoeuvre begon de winkelbel luid te klingelen. Voor een misnoegde buur besloot de inhoud van zijn nachtemmer naar buiten te kieperen, glipte hij door de smalle spleet die hij had weten vrij te maken. Met een bons viel de deur achter hem dicht. De bel zweeg abrupt. Hij stond in een schemerig verlichte winkelruimte.

Aarzelend zette hij een paar stappen vooruit. De zaak had de vorm van een vierkant en was groter dan hij had verwacht. De vloer was gemaakt van verweerde, maar voor zover hij kon zien glimmend schone planken. Of de zijwanden ook van hout waren, kon hij niet zeggen. Tot zijn vreugde waren ze 

in grote getale bedekt met datgene waarvoor hij gekomen was: handhoge bruinglazen potten. De tijdvangers waren niet zo kunstig afgewerkt als in de winkels die hij normaal bezocht, maar dat gaf niet. Het was de inhoud die telde. Als soldaten in het gelid vulden de eenvoudige vangpotten de ene na de andere kast, van op de vloer tot aan het plafond dat zich ergens in de schaduwen boven zijn hoofd ophield. Het weinige licht dat in het alom aanwezige bruinige glas weerkaatste, kwam van een gedempt brandende olielamp. Ze stond in het midden van de heuphoge toog die voor de volledige achterwand van de zaak liep. 

Zijn rechterhand was al halverwege zijn hoofd voor hij zich herinnerde dat hij geen hoed meer had. Opgelaten haalde hij zijn klamme vingers door zijn dikke haar. ‘Hallo? Iemand?’ Hij keek of er een paraplubak was, maar vond er geen. Hij klemde het zilveren handvat van zijn wandelstok dan maar onder zijn arm en trok zo zijn handschoenen uit. 

Met een plots woesj vlamde de lamp op de toog hoger op. Hij schrok er zo van dat zijn stok kletterend op de houten winkelvloer viel. Zijn handschoenen kon hij nog net bij zich houden.

Een klein, kromgebogen mannetje dook als een duiveltje uit een doosje achter de toog op. Zijn grijze haar stond alle kanten op. ‘Welkom, welkom, my lord.’ Met bevende vingers stopte de oude man een monocle voor zijn linkeroog. 

Zijn hart, dat de voorbije dag en nacht door die kwal van een Honeywell al zwaar was overbelast, kwam slechts langzaam tot bedaren. Hij stopte zijn handschoenen verstoord weg, bukte zich en raapte zijn wandelstok op. 

Zijn jas en schoenen werden ondertussen nauwkeurig gemonsterd. Zijn uitdossing beviel blijkbaar. De grijsaard ondernam een haastige poging om zijn haar te fatsoeneren. ‘Hoe kan ik u van dienst zijn?’

Sprak dat niet voor zich? ‘Ik heb tijd nodig.’ 

Tot zijn verbazing keerde het mannetje hem de rug toe. Als een krab schuifelde de grijsaard langs de planken met handhoge potten die de muur achter de toog bedekten. Bij sommige potten raakte hij het donkere glas even aan, bij anderen tikte hij kort maar liefdevol op de kurk die de grote opening bovenaan afsloot. Af en toe controleerde hij het touwtje dat rond de brede hals hing, las hij het kaartje dat eraan hing en mompelde hij goedkeurend. Hij leek zijn bezoeker volkomen vergeten.

Met een paar nijdige tikken van zijn wandelstok zette Chisholm een paar passen vooruit. Hij stond nu in het midden van de zaak, omgeven door wat hij zo bitter nodig had. De glazen vangpotten grijnsden als holle ogen naar hem. ‘Heeft u gehoord wat ik zei? Ik heb tijd nodig.’ 

De oude man keerde zich half om. ‘Aye, hebben we dat niet allemaal?’ Zijn aandacht verschoof weer naar de volle muurplanken.

Hij liet zijn wandelstok hard op de vloer neerkomen. ‘Wat voor winkel is dit eigenlijk? Waarom bent u open als u toch niet …’

Met zijn rug naar hem toe stak het mannetje een kromme vinger op. ‘Let op uw woorden, my lord. Cer hier houdt niet van beledigingen.’ 

Achter de toog klonk een hard gesnuif, gevolgd door een luid gekras van nagels. Uit de schaduwen bij de achterwand dook een enorme, pikzwarte hond op. Hij gromde zachtjes.

Chisholm deinsde achteruit. ‘Ik wilde niet … Het is alleen … Het is dringend, heel dringend.’

‘Dat is het meestal als Cer en ik uit ons bed worden gezet.’ Moeizaam kwam de kromgebogen man achter de toog uit. Hij kwam naast de reusachtige hond staan. Het beest reikte verdomme tot zijn middel. ‘U hoeft niet bang te zijn dat ik uw tijd aan het verspillen ben, my lord. Extra service van de zaak zullen we maar zeggen.’ Hij legde zijn rechterhand op de kop van het zwarte monster. Zijn linker wees naar het kleine raam naast de voordeur.

‘Wat is dit voor toverij?’ Geschokt keek hij naar de zon die achter het raam opkwam. Te laat, hij was te laat. Door het getreuzel van die oude knar was hij alles kwijt. Zijn hele bezit. Woede vlamde door hem heen. Hij zou dit niet laten passeren. Voor zijn verbouwereerde ogen ging de zon weer onder. Om vijf tellen later weer op te lichten. 

Op het moment dat hij besefte wat er aan de hand was, klonk het antwoord achter hem. ‘Een perpetuum mobile, my lord. Een tijdlus.’

‘Dat is verboden!’

Het mannetje lachte, diep en schokkerig. Zijn rechterhand bewoog mee, zodat het leek alsof hij het reusachtige dier naast hem kleine, bemoedigende klopjes gaf. ‘En wat u komt doen niet?’

Daar kon hij weinig tegen in brengen. 

‘Zo zijn we beiden veilig voor de arm der wet. En het geeft u en andere gewaardeerde bezoekers de kans om rustig na te denken. Besluiten worden hier immers best niet lichtvaardig genomen.’

De hond gromde instemmend. 

‘Aan hoeveel had u gedacht?’ vroeg de grijsaard.

Hij knipperde met zijn ogen. 

‘Tijd, my lord. Aan hoeveel tijd had u gedacht? En wat wenst uwe edelheid precies? Terugdraaien? Stelen? Ongeoorloofd versnellen of vertragen? Stilzetten?’

Stilzetten? Hij had niet eens geweten dat dat mogelijk was. Net zoals iedereen in de hogere kringen maakte hij veelvuldig van tijdsmanipulatie gebruik, maar tot nu toe was dat steeds binnen de limieten van de wet gebeurd. Of toch niet zover erbuiten dat de winkels waar hij zich gewoonlijk liet bedienen, hem niet wilden helpen. Een gesmokkeld uurtje van plezier, een paar minuten bedenktijd bij een belangrijke overeenkomst, dat soort dingen. Dit echter …

Kromme vingers gebaarden naar de potten op de planken voor de linkse muur van de winkel. ‘Daar vindt uwe doorluchtigheid versnellen en vertragen.’ De gerimpelde hand van de grijsaard verschoof naar de overvolle rijen achter de toog. ‘Stelen.’ Moeizaam draaide de oude man zich naar de rechterzijmuur van het vertrek, waar de potten minder dicht bij elkaar stonden. ‘Stilzetten. En tot slot: terugdraaien.’ De magere arm van de winkelbediende kwam tot stilstand bij de muur links van de voordeur.

De moed zonk hem in de schoenen. Op de planken in de smalle ruimte tussen de deur en de zijmuur stonden schrikbarend weinig potten. Een stuk of dertig hooguit. Zijn blik dwaalde naar de afdeling stilzetten. Wat als hij dat nu eens deed? Hij verwierp het idee zodra het bij hem opkwam. Op die manier zou Honeywell er goedkoop van afkomen. Te goedkoop. Hij was van plan die smeerlap met veel meer dan zijn leven te laten betalen. Hij nam een besluit. ‘Ik kom voor terugdraaiende tijd.’

‘Te koop, te huur of te leen?’

‘Pardon?’ 

Het mannetje zuchtte. ‘Wenst uwe edele die tijd te koop, te ruil of te leen?’ 

‘Wat is het verschil?’ 

De grijsaard slofte naar de rechterzijmuur. Voor een van de kasten liet hij zich  op een kleine kruk neerzakken. Het zwarte monster volgde hem op de voet en plofte bij hem neer. 

‘Nou, in de twee eerste gevallen wordt het product de volledige eigendom van your lordship, tot in de eeuwigheid zullen we maar zeggen.’ De oude man grinnikte een paar bruine tanden bloot. ‘In het laatste geval daarentegen is de overeenkomst van meer tijdelijke aard. Dan moet u de geleverde tijd op een gegeven moment terugbetalen.’ Een kromme vinger ging de lucht in. ‘Met rente wel te verstaan. Het tarief wordt over uw persoonlijke tijd berekend. Pro rata temporis natuurlijk.’

Hij wilde vragen wat daar in vredesnaam mee bedoeld werd, maar kreeg de kans niet.

‘U wenst een koopovereenkomst, veronderstel ik? Onmiddellijk te voldoen?’ 

Zijn vingers klemden zich rond het zilveren handvat van zijn stok. ‘Kan de betaling eventueel later worden geregeld?’  

Het oog achter het lorgnet dwaalde naar de lege plek boven zijn donkere haar. ‘Dat is een dienst die we alleen aan vaste klanten verlenen, your lordship.’

‘Juist.’ Hij kuchte. ‘Te ruil dan? Ik heb momenteel helaas wat lichte betalingsproblemen.’ 

‘Ah! Hoe onfortuinlijk. Dat overkomt de besten onder ons. En nu wenst u natuurlijk een kans om die lichte problemen recht te zetten.’

Hij knikte.

‘Begrijpelijk, heel begrijpelijk. Goed, permanent terugdraaiende tijd te ruil dus. Hoe lang?’ 

Hij aarzelde. ‘Een maand?’ 

De stoppelige wenkbrauwen van het mannetje gingen de hoogte in. ‘U stelt geen lichte eisen. Eens kijken.’ Hij kwam overeind. Sloffend liep hij op de spaarzame glazen potten bij de voordeur af, waar hij naar de brede hals van een pot halverwege de derde plank reikte. Net als bij de alle andere potten was er een klein kaartje aan bevestigd. De grijsaard draaide het om. ‘Ik heb hier een drieweekse overeenkomst in ruil voor vijf hectare land en een stel ploegpaarden?’ Het oog achter het lorgnet draaide zijn kant op en keek hem vragend aan.

Spijtig schudde hij zijn hoofd. Drie weken zou geweldig geweest zijn maar volgens de tijdswet mochten enkel huidige bezittingen worden geruild. Tenzij die wet hier niet gold?

‘Momenteel geen paarden of land meer? Hm.’ De vingers van de grijsaard gleden verder langs de ver uit elkaar staande flessen. ‘Deze dan misschien? Negen dagen in ruil voor een pasgeboren baby?’ 

‘Wat!’ Het ergste was nog wel dat hij het kortstondig overwoog. Hij dwong zichzelf zijn hoofd te schudden. 

Het mannetje haalde zijn schouders op. ‘Sommigen vinden het geen slechte ruil. Ah! Deze zal u wellicht meer bevallen: anderhalve dag in ruil voor een reis naar Amerika?’ 

Andermaal schudde hij noodgedwongen het hoofd. Hij had niets meer om te verpanden. Ja, zijn wandelstok, maar daar zou hij nooit de overtocht mee kunnen betalen, zelfs niet in derde klasse.

‘U maakt het me niet gemakkelijk, jongeheer.’ De winkelier trok een geruite zakdoek tevoorschijn en depte er zijn gerimpelde voorhoofd mee. ‘Ik moet bekennen dat ik niet meteen zie wat ik voor u zou kunnen betekenen.’

‘En die daar?’ Hij wees naar een bestofte pot op de bovenste plank, ver boven hun hoofd. ‘Wat vragen ze daar in ruil?’ 

‘Een onmogelijk iets, your lordship. Ik zou de pot allang verwijderd hebben maar de baas staat erop dat hij blijft staan. Op elk potje past een dekseltje, zegt hij altijd. Tussen u en mij: het dekseltje dat op dat potje past, zullen we niet snel vinden. Om niet te zeggen: nooit.’ 

Hij tuurde naar de pot. Op de dikke laag stof na zag hij er net zo uit als alle anderen. ‘Wat vragen ze dan in ruil?’ 

Het mannetje rolde met zijn ogen. ‘Verhalen.’

Hij verslikte zich haast. ‘Die heb ik! Een heleboel!’ Dat hij daar niet eerder aan gedacht had. Zijn vader was een fervent boekverzamelaar geweest. In die mate zelfs dat hij niet alleen de bibliotheek van hun stadse herenhuis maar ook de naastliggende balzaal helemaal had volgestouwd. 

Na de dood van wijlen de majoor, twee maanden geleden, had hij de ruimte meteen laten leeghalen. Hij had er heel andere plannen mee. De boeken waren opgehaald door een veilinghuis en opslagen in een pakhuis ergens in Londen. Maar ze waren nog niet geveild. En dat betekende dat ze nog steeds zijn eigendom waren! 

Het mannetje trok een borstelige wenkbrauw op. ‘Uwe goedgunstigheid zou het toch niet wagen om een eenvoudige winkelbediende wat op de mouw te spelden?’

‘Natuurlijk niet.’ Hij stak zijn borst vooruit. ‘Hoeveel boeken?’ 

De grijsaard zuchtte. Met de hond op zijn hielen slofte hij naar de toog. Hij verdween erachter en begaf zich langzaam naar de uiterste hoek. Tussen twee rekken vol potten leunde daar een hoge, dichtgevouwen ladder tegen de muur.

‘Laat mij maar even.’ Hij zette zijn stok tegen een van de kasten en liep met grote passen op de toog af. Bij de doorgang naar de smalle ruimte erachter bleef hij staan. ‘Mag ik?’ 

De oude bediende aarzelde even, maar knikte toen. Hij schuifelde achter de toog uit zodat zijn bezoeker de ladder kon bereiken. ‘Potje breken is potje betalen.’ 

Voorzichtig manoeuvreerde hij het loodzware ding achter de toog uit. Hij zeulde er de winkel mee door en zette het met een klap voor het wandrek bij de deur neer. ‘Ik kijk zelf wel even.’ Hij had protest verwacht, maar het mannetje, dat hem net als de hond was gevolgd, knikte slechts. 

Zo snel hij kon klauterde hij omhoog. Het zweet liep inmiddels langs zijn rug naar beneden. 

‘Het kaartje ligt onder de pot,’ klonk het onder hem. ‘Het touwtje is vergaan.’

Abrupt bleef hij staan. ‘De tijdgever leeft toch nog wel?’  

‘Natuurlijk. Dit is een eerbiedwaardige tijdmakerij, your lordship. Zoiets houden we nauwgezet bij.’

Hij was nu bijna bij de pot. Van zo dichtbij was de laag stof nog dikker. Niet alleen op de pot, maar ook op de verder lege plank. Minder bestofte cirkels vertelden hem dat er hier ooit nog andere potten hadden gestaan. Hij schoof de pot die als enige nog op de plank stond, zijn pot, aan de kant en tilde het kaartje op. Een dag voor duizend verhalen, stond er.

‘Dat is diefstal!’ 

‘U bent natuurlijk niet verplicht om erop in te gaan.’

Hij zuchtte. ‘Ik doe het.’

‘Uitstekend. Als u dan zo vriendelijk zou willen zijn om uw aanwinst mee naar beneden te brengen?’ 

Met de bestofte pot dicht tegen zich aan daalde hij voetje voor voetje de wiebelende ladder af. Pas toen hij de stevige vloerplanken onder zijn voeten voelde, ontspande hij zich iets. Hij wilde de pot aan het oude mannetje geven.

‘Houdt u hem maar. Het is per slot van rekening uw pot. Uw tijd. Definitief van u.’ Het mannetje grijnsde.

Hij klemde de pot tegen zich aan. ‘Hoe werkt het?’ 

‘Weet u dat niet? Heeft u nog nooit eerder tijd teruggedraaid?’ 

Hij klemde zijn kaken op elkaar. ‘Nee.’ Zijn vader had het niet gewild. Zoals hij zoveel dingen niet had gewild. Moest je zien wat er van was gekomen! Als die ouwe niet zo streng was geweest, had hij nu niet zo in de rats gezeten.

‘Het is heel eenvoudig. U keert terug naar de plaats waar u een etmaal  geleden was. Dat weet u toch nog wel, waar u toen was?’

Hij knikte. Natuurlijk wist hij dat. Op dezelfde plaats waar hij de afgelopen uren peentjes had gezweet en steeds wanhopiger was geworden: aan de kaarttafel, met Honeywell. 

‘Vanaf het moment dat u het deksel van de pot haalt, gaat het proces van start. U kan wat ongemak ondervinden als uw lichaam zich naar de verleden tijd voegt, maar dat is meestal te verwaarlozen. En beslist van tijdelijke aard. Als u mij wilt volgen.’ 

Met de hond achter hen aan liepen ze naar de toog. De grijsaard verdween erachter en haalde een volgeschreven blad papier, een pen en een inktpot tevoorschijn. 

‘Aan de kant, Cer.’ De oude man gaf de hond, die hem gevolgd was, een duw. 

Het beest bleef staan en jankte zacht. 

‘Dat is waar ook. Bijna vergeten. Dat komt ervan als je op mijn leeftijd in het midden van de nacht uit je bed wordt gezet.’ Het mannetje dook opnieuw onder de toog. ‘Waar is het gebleven?’ Mopperend rommelde hij rond, tot hij een tevreden ‘aha’ liet horen. Hij legde een klein doosje op het gladde hout. ‘Deze hoort er ook nog bij. Voor de betaling. Die zal persoonlijk bij u worden opgehaald.’ De oude man klapte het doosje open. Er lag een kleine, gouden ring in.  Een damesring.

Met de tijdspot in zijn handen staarde hij naar het kleinood. ‘Is dat gebruikelijk?’ 

Het mannetje zuchtte. ‘Doet dat er iets toe?’

‘Ik veronderstel van niet.’ Hij stopte het doosje met zijn vrije hand in zijn jaszak, doopte de pen in de inkt en plaatste een snelle krul onder het contract. Zijn gedachten waren al bij het verleden.


Onderweg naar de club, in een huurrijtuig dat zo mogelijk nog aftandser was dan het vorige, drong het tot hem door dat hij een probleem had. Of tenminste kon hebben. Had hij daarstraks nog vurig gehoopt dat Honeywell nog aanwezig zou zijn, dan bad hij nu dat dat niet het geval zou zijn. Hij kon de glazen pot toch moeilijk voor zijn neus openen? Dan wist die schoft meteen wat hij van plan was. Nerveus tikte hij tegen zijn wandelstok. 

Bij de club drukte hij een straatjongen met kloppend hart zijn laatste penny in de hand. Even later dook het magere joch weer op, stellig verklarend dat Honeywell naar huis was. 

Opgelucht ademde hij uit. Eindelijk eens iets dat goed ging. Zijn kansen waren aan het keren, hij voelde het. Met de glazen pot onder zijn jas liep hij vol vertrouwen de club binnen. De kaartruimte zag blauw van de rook. Ondanks het late uur waren er nog steeds mannen verwoed aan het spelen, maar de tafel waar hij de afgelopen uren zijn fortuin aan had verspeeld was gelukkig leeg. Hij liet zich op de juiste stoel neerzakken en tilde onopvallend het deksel van de pot. Een vage wierookgeur vermengde zich met die van de sigaren rondom hem.

Maar verder gebeurde er niets. Woede vlamde in hem op. Die oude zak had hem lucht verkocht. Woest wilde hij overeind komen. Alleen lukte hem dat niet. De wereld om hem heen vertraagde. Om vervolgens weer te versnellen. In snelle, misselijkmakende flitsen schoten de voorbije vierentwintig uren aan hem voorbij. Met een ruk kwam de beeldencarrousel tot stilstand kwam. Duizelig hapte hij naar adem. 

‘U krijgt het toch niet te warm, mijn waarde Chisholm?’ 

Die lijzige stem zou hij uit duizenden herkennen. Hij tilde zijn hoofd op en keek Honeywell recht in de ogen.

 ‘Integendeel. Ik heb me nog nooit zo goed gevoeld.’ Zijn zegelring zat weer op zijn plaats. Aan zijn pink zat de kleine gouden ring die in zijn jaszak had gezeten. Hij keek er even verbaasd naar, maar zette het toen van zich af. Hij had belangrijkere dingen aan zijn hoofd. Deze keer zou Honeywell hem niet in de val lokken.


De volgende morgen – technisch gezien de volgende volgende morgen – werd Chisholm met een brede grijns op zijn gezicht wakker. Alles was nog veel beter gegaan dan hij had durven hopen. En dat in ruil voor een lading boeken waar hij toch al vanaf had gewild. Hij draaide zich om in zijn hemelbed en bestudeerde het licht dat tussen de zware gordijnen rechts van hem doorkwam. Zo te zien stond de zon al hoog aan de hemel. 

Op de gang was het muisstil. ‘Goed opgeleid huispersoneel is zijn gewicht in goud waard, mijn jongen,’ had zijn vader hem altijd voorgehouden. Een van de zeldzame punten, zo niet het enige, waarop hij het met de majoor eens was. Zijn bedienden wisten wel beter dan hem te storen als hij na een nacht in de herenclub uitsliep.

Hij overwoog even om ze opslag te geven, per slot van rekening kon hij zich dat nu ruimschoots permitteren, maar zag er meteen weer van af. Ze zouden er maar verwaand worden. Hij kon zijn geld wel beter besteden. 

Hij rekte zich uit, trok aan het schellekoord en liet zich uit bed glijden. Geeuwend liep hij op zijn kamerstoel af. Terwijl hij zijn blaas leegde, begon hij in gedachten al plannen te maken voor de ouderwetse balzaal op de benedenverdieping. Hij had de ruimte weliswaar leeggehaald, maar de middelen om zijn ideeën verder uit te werken hadden hem tot nu toe ontbroken. Hij was van plan geweest om de verbouwingen te bekostigen met de opbrengst van de geveilde boeken: een paar roulettetafels, de nodige dobbel- en kaarttafels. Het veilinghuis had hem verzekerd dat dat geen enkel probleem zou zijn. 

Nu het geluk weer met hem was, kon hij het grootser aanpakken. Veel grootser. Misschien moest hij de naastliggende bibliotheek ook leeghalen en de twee ruimtes samenvoegen.

Hij sloeg het deksel van de kamerpot opgewekt dicht, liet zijn kamerjas om zijn schouders glijden en trok het satijnen lint rond zijn midden aan. Verstoord keek hij naar zijn gesloten kamerdeur. Waar bleef Tom, zijn valet? Hij wilde in bad, de sigarengeur van hem afspoelen. Nogmaals trok hij aan het schellekoord.

Vijf lange minuten later was er nog steeds niet op zijn kamerdeur geklopt. Woest hielp hij zichzelf in zijn kleren, waarna hij met grote passen de gang van zijn stadsresidentie op beende. Er was niemand te zien. Geen wasvrouw die met het vuile linnen zeulde, geen kamermeisje dat zorgvuldig de schilderijen afstofte, geen meid die op haar knieën de vloerplanken boende. Hij begreep er niets van. Haastig liep hij de trap af. 

De deur naar de ontbijtkamer stond op een kier. Nog voor hij zijn hoofd naar binnen stak, wist hij al dat hij ook hier niemand zou vinden. Het was te stil. Veel te stil. 

De tafel was inderdaad niet gedekt en de haard was koud. De lange buffetkast tegen de zijmuur, die normaal vol stond met zorgvuldig afgedekte zilveren eetschalen, stond er leeg bij.

Een zacht gefluister links van hem trok zijn aandacht. Het leek uit de bibliotheek te komen, twee deuren verderop. De dubbele deur was niet helemaal gesloten. Hij fronste. Buiten de meid, die er af en toe nog het stof afdeed, was er sinds de dood van zijn vader voor zover hij wist niemand meer binnen geweest. Hij liep op de dubbele deuren af.

De meest onzinnige ideeën kwamen bij hem op. Zijn bedienden hielden een heidens ritueel waar hij niets van mocht weten, of ze hadden een medium ingehuurd om de geest van zijn overleden vader op te roepen, of … Het viel allemaal in het niet bij wat hij aantrof toen hij de deuren bruusk openduwde. Verbaasd bleef hij staan. 

Zijn voltallige personeel, van de huishoudster tot de wasmeid, van de staljongen tot de butler, stond in een zwijgende cirkel rond een jonge vrouw, die zachtjes tegen hen praatte.

Ze zat in zijn vaders favoriete leesstoel, dicht bij de vrolijk brandende haard. Donker haar hing in lange, golvende krullen over haar schouders. Haar amandelvormige ogen waren met kohl aangezet en ze droeg een jurk zoals hij die alleen nog maar in de opera had gezien. Goudkleurig, met een diep decolleté en wijde, half doorschijnende pofmouwen. De glanzende stof was versierd met duizenden pareltjes. Het licht van het vuur weerkaatste erin. 

Gecharmeerd bestudeerde hij zijn gast, die nog steeds op zachte toon tegen zijn huispersoneel sprak. De geruchten doen snel de ronde, dacht hij. Hij was er zeker van dat hij haar nog niet eerder had ontmoet. Misschien een verre nicht van de ene of de andere die pas in de stad was aangekomen en meteen haar kans schoon had gezien. Zo te zien was ze zonder chaperonne op stap.

Niet dat dat hoefde. Liever niet zelfs. Het laatste waar hij behoefte aan had was een oude kenau die hem als een hond aan de leiband terugtrok iedere keer dat hij een stapje te dicht bij haar beschermelinge kwam.

Hij had wel een verzetje verdiend, na de gebeurtenissen van de laatste dagen. Maar dat wilde nog niet zeggen dat zijn personeel zich hetzelfde kon permitteren. Dit had nu wel lang genoeg geduurd. ‘James!’ blafte hij naar zijn butler. 

De kalende man draaide zich niet om. Sterker nog, hij bewoog niet eens. Hij had alleen maar aandacht voor de vrouw in zijn vaders leesstoel, die op rustige toon verder praatte.

‘Tom! Maddy!’

Niemand leek hem op te merken. Niemand leek zelfs maar te beseffen dat hij bestond. Langzaam liep hij rond het groepje. Hij wuifde met zijn hand voor de ogen van de wasvrouw, kneep in de billen van de keukenmeid, gilde in het oor van de butler, sprak iedereen met naam en toenaam aan. Niets leverde een reactie op.

‘Wat heeft dit te betekenen?’ brulde hij tegen de lieflijke, goudkleurige gestalte die zijn vaders stoel bezette. Aan de ringvinger van haar linkerhand zat een kleine ring. Geschokt tilde hij zijn eigen hand op. Zijn zegelring was er nog, maar het gouden kleinood dat zich afgelopen nacht meester had gemaakt van zijn pink, was nergens meer te bekennen.

De donkere ogen van de vrouw haakten zich in de zijne. Om haar lippen verscheen een flauwe glimlach.

‘Wie bent u en wat doet u verdomme in mijn huis?’

‘Mijn naam is Sheherazade. Ik ben gekomen om mijn schuld te innen.’ 

Hij fronste. 

‘Duizend verhalen in ruil voor een dag van mijn tijd?’ 

Hij ademde uit. Natuurlijk. Hij wreef over de ruwe stoppels op zijn wangen. ‘Ik zal de overdacht van de boeken zo snel mogelijk regelen. Al zou dat beslist sneller gaan indien u mijn bedienden niet zou gijzelen.’

Ze lachte, een klaterende heldere lach. ‘Uw boeken?’ Ze keek naar de volle kasten rond hen. ‘Wat heb ik daaraan?’

Verward keek hij haar aan.

‘Ik heb het over nieuwe verhalen, my lord. Verhalen die u me gaat vertellen. Een per dag, duizend dagen lang.’


Isabelle Plomteux (Leuven, 1969) schrijft zowel klassieke, epische fantasy als meer YA-gerichte urban fantasy. Meerdere verhalen van haar hand zijn te vinden op www.fantasize.nl. In december 2020 bemachtigde haar verhaal Vuurvlieg de derde plaats bij de Harland Awards en met Amenophis Steketee staat ze in het Ganymedes 21 jaarboek. Tijdsschuld is haar eerste verhaal voor Vonk. Ze hoopt ooit haar zevendelig urban fantasy-epos te publiceren en werkt daarnaast aan een mozaïekroman die zich in dezelfde wereld afspeelt als Vuurvlieg.

Lees hier meer verhalen