Vonk logo

Mijn moeder zit voor het raam van het tehuis en kijkt naar de zee. ‘De hele nacht zie ik daar lichtjes,’ zegt ze. ‘Allemaal lichtjes die van de ene kant naar de andere bewegen.’ En dan, zonder enig verband met de vorige uitspraak: ‘De verpleegsters zijn best aardig, maar ze hebben weinig tijd. En de groenten komen allemaal uit de diepvries.’

Mijn tante, de oudere zus van mijn moeder, woonde hier ook. Ze stierf drie jaren geleden, en bijna niemand kwam naar de begrafenis. Ze werd gecremeerd en haar as uitgestrooid. Wat moet er nog van je overblijven, wanneer je zo goed als alleen bent? Niets, eigenlijk. Tussen haar en moeder liep het nooit goed, al niet meer sinds hun jeugd, toen moeder de vrijers van haar zus afpikte. ‘Ze was niet erg pienter, en ook niet erg snel,’ vertelt mijn moeder mij. Er zullen daar toen drama’s gebeurd zijn waar ik nooit het fijne van zal weten.

Het tehuis telt een zestigtal bewoners en half zoveel personeel. Er komen ook tijdelijke hulpen werken in de keuken. De gangen zijn er breed, het gebouw dateert uit de jaren zeventig. Ondanks mijn verwachtingen hangt er nauwelijks geur, alleen maar de suggestie van een geur. Uit een kamer klinkt een Duitse schlager, die mijn tenen doet krullen. In een van de gangen heeft een grote vochtvlek een deel van de zoldering verkleurd. In de kleine eetzaal is een poging gedaan om een huiselijke sfeer te creëren met foto’s van de bewoners, waarschijnlijk genomen tijdens het een of andere feestje. Wat mij betreft bevestigen die alleen maar de eenzaamheid van deze mensen, die buiten de andere bewoners en de staf geen levende ziel meer kennen.

Ik vermoed dat de koffie hier op industriële schaal gemaakt wordt, en zal hem vermijden.

Kuststadjes zoals deze zijn vaak de eindbestemming van potentiële zelfmoordenaars, die hier een mentale verlossing zoeken die ze dichter bij huis niet kunnen vinden. Of het gaat hen om het wijde uitzicht, dat hen herinnert aan gelukkige momenten uit hun jeugd, de kreten van hongerige meeuwen, de geur van goedkope zonne-olie, de smaak van zand en verwarmde huid. Dit geeft sommige van deze stadjes een kwalijke reputatie, waar geen lokale bewoner blij mee is.

Tot leven komen plekken zoals deze pas begin juli, en eind september sterven ze weer. De andere vakanties brengen hier geen soelaas. Hooguit passeren wat jonggepensioneerden voor een duinwandeling en voor een kop koffie met een stuk taart. De weinige vaste bewoners hebben de gesloten aard van hun voorouders geërfd. Er staan huizen en wat kleine flatgebouwen achter de dijk, met drie of vier winkels die het hele jaar open zijn.

Het tehuis bevindt zich aan de noordelijke rand van dit stadje, waar een eenzame asfaltweg naartoe voert, die overigens slecht onderhouden is alsof bezoek ontmoedigd moet worden. Een witgeschilderde maar nu vuil geworden houten hek vormt hooguit een mentale barrière tussen twee werelden. De afzondering van het gebouw is echter meer dan symbolisch. Het behoort tot de wereld van diegenen die geen functie meer hebben in de samenleving. Daarbuiten ligt een universum dat winst najaagt en hebzucht aanmoedigt — hierbinnen dwalen vale herinneringen rond.


Een week later, wanneer ik opnieuw langskom, zit moeder aan het vijvertje achter het tehuis, in een makkelijke stoel van versleten staal en een pluizig kussen. Er zitten nog vier dames, en allemaal hebben ze thee of koffie met koekjes. Het is een aangename voorjaarsdag, en ook van hieruit hebben ze uitzicht op de zee. ‘De heren willen wel eens naar de plaatselijke kroeg,’ zegt een van de dames. ‘Maar dat kunnen ze alleen onder begeleiding van een lid van de verplegende staf.’ Ze praat bekakt, alsof ze zich opzettelijk wil onderscheiden. ‘We mogen hier geen huisdieren houden.’

‘Ze moeten in de gaten gehouden worden, de ouwe geilaards,’ zegt een andere vrouw, met een bijna-paars permanent. Ze kijkt naar mij, alsof ik verantwoordelijk ben voor de mogelijke uitspattingen van de mannelijke bewoners.

Ik hoor een ritselend geluid en dan een plons in de richting van de poel. ‘Daar heb je d’er weer één,’ zegt mijn moeder.

‘Een kikker?’ vraag ik.

‘Hier zijn geen kikkers,’ zegt ze, afkeurend. ‘Er zitten geen kikkers in die poel.’

Wat er dan wel bewoog en in de poel sprong, kom ik niet te weten. Ik lijk een faux-pas begaan te hebben.

‘De koffie mag eigenlijk wel wat sterker,’ zegt een van de dames.


Wanneer ik terugkeer naar de hoofdstad, vraag ik me af of moeder me wel elke keer herkent. Het lijkt alsof ze me vaak verwart met iemand anders, al weet ik niet met wie. Soms noemt ze me Erik, soms Frank. ‘Mijn naam is Patrick, moeder,’ zeg ik dan, ook al weet ik dat het vergeefse moeite is. Ik ken geen Erik of Frank. Misschien zijn dat mensen die ze kende in dat diepe, verborgen verleden van haar, hoewel die namen behoren tot mijn generatie. ‘Wie is Erik?’ vraag ik haar op een keer. ‘Hij komt alleen maar wanneer de zon onder is,’ zegt ze, opnieuw met die blik op de zee, waar de zon ongehaast neerdaalt en de meeuwen nog steeds op zoek zijn. Ik weet niet over wie ze het heeft.

Terwijl ik de snelweg volg, hoor ik op de radio dat op het strand, niet zo heel ver van waar ik een uurtje eerder was, het kadaver gevonden is van een grote kwal, van een soort die normaal niet in deze wateren voorkomt, zo zegt de nieuwslezer. ‘Een bijgeroepen bioloog verklaarde dat het misschien zelfs om een onbekende soort gaat.’

De zee heeft nog vele geheimen voor ons.

De week erop wil ik er moeder naar vragen, maar ze volgt het nieuws niet.

‘Het was niet echt een kwal,’ vertelt een van de andere dames me. We zitten weer aan de koffie. ‘Dat soort kwallen bestaat gewoon niet.’

‘Iemand die erbij was,’ kom een andere dame tussenbeide, ‘vertelde dat het beest armen had. Als een mens.’

‘Er wordt hier in het weekend teveel gezopen,’ zegt de eerste vrouw. ‘Of wat ze vandaag ook doen, de mensen. En dan kletsen ze maar raak.’

Af en toe stijgen er belletjes op uit de diepte van de poel, maar geen van de vrouwen die daar aandacht voor heeft. De belletjes spatten uiteen met een zacht plopgeluid. Het water is bruinig, ondoorzichtig en lijkt een beetje op dikke olie.

‘U doet er misschien goed aan,’ vertelt de directrice van het tehuis mij, ‘een paar dagen hier in de buurt te overnachten. Het gaat niet zo goed met uw moeder.’

Ik merk niets aan mijn moeder en zeg dat ook. ‘Het zit vanbinnen,’ zegt de directrice. ‘Al het kwaad zit altijd vanbinnen, waar we het niet zien.’ Ze is hooguit veertig, mijn eigen leeftijd dus, maar blijkbaar geneigd tot onwetenschappelijke overtuigingen. Ik wijs haar echter niet terecht.

Ik neem een kamer in een hotel wat verderop waar de kamers neutraal Scandinavisch zijn en de douche ruim genoeg, en vraag daar of iemand iets weet over de aangespoelde kwal. Het meisje achter de balie fronst naar me, maar ze weet het niet, zegt ze me. Kwallen en wat er verder nog aanspoelt op het strand interesseert haar niet. Ze werkt hier om haar studies te betalen. Irene, staat er op haar badge.

Ik krijg een kamer met uitzicht op zee, ongevraagd. Het hoogseizoen is nog niet begonnen, er zullen genoeg kamers vrij zijn. Ik heb de voorbije maanden al méér zee gezien dan in de rest van mijn leven. Ik verkies de Middellandse Zee. Halverwege de nacht word ik wakker en ga uit het raam kijken. Het is een oude gewoonte. De zee is donker. Er zijn geen lichtjes te zien. Wolken hangen laag, schaduwen die over schaduwen schuiven. Op de dijk vertoont niemand zich nog.

Vroeg op de ochtend, vóór het ontbijt, maak ik een strandwandeling. Er is geen meeuw te bekennen. Het is laagwater. Ik zie sporen in het nog natte zand. Geen idee van wat die sporen zijn. Ze lijken van een vrij groot dier, een pony misschien. Maar geen pony laat dat soort sporen na. Vreemd genoeg houden ze plots op.

Het is koud. Ik moet een steviger jas aan, wil ik zo vroeg of ’s avonds laat op stap. De lente is nauwelijks begonnen, maar de kilte van de winter zit nog in de lucht. De zee ruikt heftig en omwoeld, alsof geuren uit haar ziltige bodem opduiken. Geuren afkomstig van haar millennia oude sedimenten, prehistorisch, cambriaans.

Op de dijk staat een eenzame figuur naar me te kijken. Man of vrouw, dat is onduidelijk. Jong of oud, ik weet het niet. De figuur lijkt op een vreemde manier gevormd, al kan ik er niet goed de vinger op leggen wat er verkeerd aan is. Ze lijkt te bewegen, en toch niet, alsof ze immaterieel is, een droom, een illusie. In mijn richting kijkt ze, maar ik ben ervan overtuigd dat ze mij niet waarneemt. De opkomende zon zou me meer kunnen tonen, maar dan is de figuur plots weer verdwenen.


‘Je had bij Myrthe moeten blijven,’ zegt moeder streng. ‘Dat was een goeie vrouw. Jullie hadden kinderen moeten hebben. Dat had jullie huwelijk kunnen redden.’

‘Ik was getrouwd met Jessica,’ zeg ik haar, maar het is zinloos. In haar geest spelen zich allerlei sociale drama’s af, die geen uitstaans hebben met de werkelijkheid. Of toch niet met mijn werkelijkheid. Ik heb er geen idee van wie Myrthe is, en ken niemand met die naam.

‘Je was altijd al de moeilijkste, altijd je eigen zin doen,’ vervolgt ze. We zitten nu met zijn tweeën op het terras, een afstandje van het vijvertje vandaan. Waarom heeft dit tehuis een vijver nodig, wanneer de zee vlakbij is? Het lijkt me verspilling. ‘Van in de lagere school al, je verzon ook van die verhalen.’

Enkele dames en twee mannen zitten verderop aan tafeltjes te kaarten en koffie te drinken. Ik beeld me dit leven in, op mijn eigen oude dag, en bedank ervoor. Geen spanning, geen vooruitzichten. Je wacht gewoon, zelfs niet eens op de dood.

Een troep meeuwen heeft een bepaald deel van het strand uitgekozen. Zelfs tot hier horen we hun kabaal.

‘Je had je beter wat meer met je lessen bezig gehouden,’ zegt moeder, ‘dan achter de meisjes aan te zitten.’

De meeuwen hebben iets gevonden en hun kabaal wordt intenser. Een terreinwagen in wit en rood komt aangereden, en de meeuwen maken tegen hun zin plaats. Twee mannen stappen uit en naderen de plek waar de meeuwen zonet nog zaten. Ze blijven echter op een afstand. Wat er op het strand te zien is, is me niet duidelijk. Ik zie alleen een donkere vlek. Er zal wel weer het een of andere zeedier aangespoeld zijn. Een kwal of zo.

Ik hoor plonzende geluiden die van het vijvertje komen. Ik kijk maar zie slechts rimpelingen in het water. Er zitten toch kikkers in, dat zal het zijn.

Elk bezoek aan moeder heeft steeds méér de neiging om in een melodrama te eindigen, temeer omdat ze complotten verzint, en complicaties, die niet echt bestaan. De verpleegster vertelde me net dat ze met veel aandacht naar de namiddag-soaps op televisie kijkt. Daar zal het aan liggen. Mij valt het elke keer op dat het hele tehuis steeds meer vervuld is van een eigenaardige geur, als van badwater dat te lang gestaan heeft, of vochtige dweilen in een emmer. Ik moet daarover misschien een opmerking maken.


Ik wandel weer over het strand. Enkele van de meeuwen lijken opnieuw iets in de branding gevonden te hebben wat hun aandacht helemaal opeist. Ik ga wat dichterbij. Het lijkt op een menselijke voorarm, wit als ivoor, en van waar ik sta lijkt hij zelfs wat groen. Ik weet dat het niet echt een arm is, of toch niet van menselijke oorsprong. De vogels pikken eraan, eerst vigoureus, dan afwezig, alsof de smaak hen uiteindelijk toch maar niets lijkt. Naar mij kijken ze met duidelijk verwijt, alsof ik verantwoordelijk ben. Ik blijf niet langer dan een moment staan, onzeker over mijn functie in dit drama. Zelfs een toeschouwer wil ik niet zijn. De aanblik van de ijverige vogels lijkt mij nodeloos gewelddadig en decadent.

Arbeiders uit de lokale bouwwerf troepen samen in de enige kroeg die al zo vroeg op de dag open is. Het is geen dag voor toeristen: regen dreigt, de temperatuur zakt, de zon weigert. Twee blokken verderop is er een verzameling steegjes waar je makkelijk verdwaalt — ongewoon voor zo’n vakantiestadje aan de kust. Daar worden nu enkele huizen afgebroken en een klein flatgebouw neergezet. De arbeiders spreken het plaatselijke dialect, waar ik geen woord van begrijp. Ze dragen fluo-vesten en rode of witte helmen, en stevige schoenen. Ze eten hier de broodjes van de zaak en drinken daar koffie of frisdrank bij. Het zijn het soort mannen voor wie hun werk de definitie is van wie ze zijn. Daaraan ontlenen ze hun identiteit. Ze vormen een gesloten wereld, die mij uitsluit.

Aan een tafeltje zit een ouder koppel dat hier even weinig thuishoort als ik. Veel valt hier niet te beleven, en ik vraag me af of ze alleen maar even passeren. Het hotel waar ik mijn kamer heb, is modern en fris maar grotendeels leeg. Ik zou hier geen sonnetten aan de liefde kunnen opdragen. Daar zit ook niemand op te wachten.

Buiten blijft het voorlopig nog droog maar de wind ontmoedigt mij. Een wandeling langs het strand zit er niet in. Geschiedkundig heeft deze plek niets te bieden. Honderd jaren geleden stonden hier de villa’s van de rijken uit de hoofdstad, maar dat was dan ook alles. Nog maar één daarvan staat overeind, maar ramen en deuren zijn dichtgetimmerd. Verderop loopt een betonnen dijk naar het water toe maar houdt abrupt halt. Een grote pijp puilt uit de zijkant ervan, als een rioolbuis. Maar ze lijkt nergens toe te dienen. De hele dijk lijkt geen functie te hebben.


Ik herinner me mijn moeder in het oude huis. Er waren gewoon te veel kamers, maar haar leken ze troost te bieden. Ze verzamelde foto’s van onbekende mensen uit tijdschriften, kaderde die in en verspreidde ze dan in de kamers, als een imaginaire, uitgebreide familie die nu ver van haar vandaan woonde. Ze bedacht ook verhalen die bij deze personages hoorden, en ze slaagde er zelfs in op merkwaardige wijze consequent te blijven over hun de verzonnen levens. Ze wist precies dat David en Constance een tweeling verwachtten, en dat Fred al ruim een jaar gescheiden was maar nu een oogje had op een collega. Ze wist ook wat de verjaardag was van Victoria, die een kleine kamer voor zich alléén had, en dat haar ouders op jonge leeftijd waren overleden.

Allemaal imaginaire levens.

‘Toch gek hoe snel de dagen voorbij gaan,’ zei ze vaak, nadat ze haar ronde door de kamers had gemaakt. ‘We proberen allemaal zoveel levens te leiden, het is bijna spookachtig.’

‘Weet je wel — in het leven van al die mensen zijn vreselijke dingen gebeurd, waarover zij liever niet spreken. En eerlijk gezegd begrijp ik dat ook wel. Waarom zouden we die vreselijke herinneringen telkens weer ophalen?’

Ik leerde over het jongere broertje van de aantrekkelijke, hoogblonde Britt, dat op een hek viel en voor de ogen van de familie gespietst werd. Er is een oogwenk nodig om een leven een definitieve draai te geven.

‘We hebben niets zelf in handen. Ik heb opgehouden in God te geloven, maar ik weet niet waarin ik dan wel geloof. Het zal wel niet in vrije wil zijn, denk ik.’

Misschien was dat het moment waarop ze definitief afgleed in dementie.


Ik bekijk de rioolbuis van nabij. Het is een propere, bijna nieuwe buis. Misschien maakt ze deel uit van een afvoersysteem dat nog niet in gebruik genomen wordt, en volgen er nog méér werken. Er liggen wat plassen rondom dit deel van de betonnen dijk. Die plassen kunnen onmogelijk diep zijn, maar ik denk er niet aan ze van naderbij te gaan onderzoeken. Hun gladde oppervlak lijkt niet bemoedigend. Dat is het met plassen grauw water: je weet niet wat er onder het oppervlak te vinden is.

Ik denk aan de toevallige foto’s in de kamers van moeder. Een onopvallend oppervlak, maar daaronder alleen maar mysteries.


‘We weten niet of het dementie is,’ zegt de directrice van het tehuis. ‘De psychiater onderzocht haar, deed de tests en zo, de gebruikelijke dingen, en zij weet waarover ze praat. Het is geen dementie. Ze is bijwijlen erg helder, maar soms is ze… alsof ze ergens anders is. Of daarvan terugkeert. Ik weet dat het gek klinkt.’

Wat ze me zegt heeft geen betekenis. Het lijkt een analyse, een conclusie, maar betekent eigenlijk niets. Mijn moeder is een vreemd studie-object voor hen, en in het bijzonder voor de psychiater, en wat dan nog? Kan ik zelf geen dementie herkennen in mijn eigen moeder? Of iets wat daar alleszins sterk op lijkt?

‘We zien dat soms nog,’ zegt ze. ‘Mensen die afgedwaald zijn van het normale pad. Het is geen ziekte. De hersenen zitten op die manier in elkaar. Allemaal paden, sommige vreemd voor ons, buitenstaanders.’

Niets daarvan helpt me ook maar enigszins verder.


‘Sommige dingen bestaan in een ander mentaal landschap dan het onze,’ zegt de man aan het andere tafeltje in het tehuis, ongevraagd. ‘Als dromen. Wat we zien in dromen, bestaat niet op ons niveau; bewoont niet ons landschap, maar een ander. Gaan we daarom de substantie van dromen ontkennen?’ Hij praat met mij in ruil voor een Trappist. ‘Dat zou dwaas zijn, niet nadat millennia lang mensen zoveel aandacht besteedden aan dromen. Ze lazen er de toekomst in, ze zagen ze als raadgever, als gids. Dromen zijn dus belangrijk, en ze hebben betekenis, maar we weten niet op welke manier.’

Slierten wolken laten zich rossig kleuren door de ondergaande zon. Ver weg klinkt een lang aangehouden loeien, als van een scheepshoorn. Ook hoor ik een aanhoudend gorgelen en kabbelen, als van water — een beekje, of een zich vullende rioolbuis.

‘Ik heb twaalf jaren lang astrologie gestudeerd,’ zegt de goedgeklede vrouw achter ons. ‘Je leert dat het toeval niet bestaat. Dat alles om een reden gebeurt.’ De man en ik negeren haar.

‘Zijn er niet dromen die steeds terugkeren?’ vervolgt hij. ‘Dromen die altijd weer opduiken, alsof ze ons van hun belang willen overtuigen? We doen er goed aan daar aandacht aan te besteden, aan die dromen.’

Misschien is er ergens in het tehuis een lek, in de waterleiding, in de afvoerbuizen. Ik moet iemand waarschuwen — maar waarom lijkt niemand anders die geluiden te horen? Het is grondwater en het sijpelt door naar het oppervlak en daarom is de tuin zo vochtig — wat vreemd lijkt om zoveel zoet grondwater te hebben vlakbij de zee. Kwallen leven in de zee, maar kunnen ze ook in zoet water overleven, bijvoorbeeld in de vij᠆ver? Veroorzaken zij de bewegingen in het water? Er groeit niets aan het oppervlak, en zelfs de vegetatie er omheen is zo goed als dood — alsof het leven in de vijver alle energie er omheen wegzuigt.


Ik zit uiteindelijk zomaar wat uit het raam van mijn hotelkamer te staren, om half drie in de namiddag. Ik moet naar huis, waar werk op me wacht, maar dat is niet dringend. Zelfs met de lente nabij is niets echt dringend. De kluiten duin aan de rechterzijde van mijn zichtbare decor zullen er volgend jaar nog wel zijn, net zoals mijn moeder. Ondanks de waarschuwende woorden van de directrice lijkt ze het goed te maken, en dus hoef ik eigenlijk hier niet te blijven. Ik krijg hier geen letter op papier, geen brief geschreven, en ben dus dood voor wereld. Moeder had ook dichterbij een tehuis kunnen vinden, maar ze wilde zeezicht. Je doet wat je kunt voor je ouders.

Er zijn wél limieten. Halve dagen in deze hotelkamer doorbrengen is één daarvan. Lange zinloze wandelingen brengen ook al geen goede raad, zelfs geen inspiratie.

Ginder, op het strand, wandelt een man. Hij slentert langs het water, gekleed in zwart. Er is niemand anders in de buurt. Hij lijkt op de figuur die ik eerder al zag: een mens, misschien ook niet. Verontrustend, en misschien niet.

Ik volg hem met de blik. Dat neemt tijd in beslag. Maar plots is de figuur er niet meer, misschien omdat ik enkele momenten lang doezelde. Ik kom overeind, zoek het strand af, nee, hij is effectief verdwenen. Hij, of zij, want geslacht was zonet onduidelijk.

Op sommige plekken rondom het tehuis en in de duinen is het te nat om er te kunnen wandelen. De zee is aan haar optocht begonnen, hier geholpen door opstijgend grondwater — daar lijkt het toch op. Er vormen zich plassen of kleine poelen op plekken waar het enkele dagen geleden nog droog was, ook al regende het ondertussen niet. Een trage apocalyps lijkt hier onderweg. Een paar wereldrijken zullen deze eeuw nog ten ondergaan, maar niet vanwege oorlogen.


‘Wanneer breng je de kinderen mee?’ vraagt moeder, in een poging om het schemer van haar jaren weg te wuiven. Maar dat schemer is dichter dan ze vermoedt. ‘Ik heb geen kinderen,’ zeg ik haar. ‘Nooit gehad.’ Ze denkt aan andere kinderen, de kleinkinderen van haar zus of broer misschien. De zon daalt naar de einder. Twee zeilboten haasten zich naar de haven verderop. ‘Het is hier leuker met kinderen erbij,’ dringt ze aan, alsof ze me niet hoort. Waarschijnlijk hoort ze me niet. ‘Kinderen en oude mensen moeten elkaar méér zien. Dat is goed voor beiden. Ze kunnen in de vijver spelen.’

Ik kijk even naar de vijver, de poel — wat het ook is, en overdenk dat geen ouder een kind daarin laat spelen.

‘Ze komen alleen wanneer het donker is,’ zegt ze, plots op een samenzweerderige toon. ‘Dan zijn ze hier. Maar ze zorgen er wel voor dat je ze niet goed kunt zien, en natuurlijk komen ze nooit naar binnen.’

‘Wie dan?’ vraag ik haar. Ik weet dat ik geen antwoord zal krijgen, zéker geen zinnig antwoord.

‘Meestal is hij alléén,’ gaat ze verder. In haar hoofd speelt zich een drama af. Is er een complot aan de gang. ‘Maar soms komt het meisje met hem mee.’ Ze fronst. ‘Tenminste, ik denk dat het een meisje is. Je bent nooit zeker. Misschien is hij ook geen man. Hij is geen mens, dat weet ik zéker.’

‘Waar komen ze vandaan?’

Ze gromt boos. ‘Uit de vijver, waar anders?’

Geen van de andere oudjes is in de buurt, en niemand van het personeel, hoort ons. Anders zou ze mij dit niet vertellen. Nu weet ze dat ze het ongestraft kan doen.

‘En waar gaan ze dan naartoe?’ vraag ik, omdat ik het spelletje mee wil spelen om haar aan de praat te houden. Niet dat er iets is van het verhaal, maar ze praat tenminste. Dat gebeurt niet te vaak, onder ons.

‘Ik weet het niet,’ zegt ze, plots ontmoedigd. ‘Ze gaan weg, en wat later komen ze terug, en ze zeggen nooit wat. Overdag zie je ze niet. Hen alleszins niet. Soms is er beweging, in de vijver, of in de buurt, maar dat zijn zij niet.’

‘Wie dan wel?’

Ze kijkt me fronsend aan. ‘Jij weet ook écht niets,’ zegt ze verwijtend. In verwijten is ze goed. Ze heeft die toon van vroeger: verontwaardigd om mijn domheid, en superieur vanwege wat zij dan wel weet, ook al slaat haar kennis helemaal nergens op. Ze leeft in een wereld met een aparte logica. Zo meteen moet ik me verontschuldigen omdat ik die wereld niet deel.

‘Ik wil naar binnen,’ zegt ze. ‘Het wordt kil.’


Een uur later wil ik weer vertrekken. Ze heeft geen benul van de tijd. Ze denkt dat ik iemand anders ben, en pas arriveerde. ‘Je bent hier nog maar net. Je blijft niet meer? Er is een schlager-festival op Duitsland.’

‘Ik moet er vandoor. Ik ben de hele namiddag gebleven.’

Zelfs dat registreert ze niet. Ik kom overeind, knik naar de meisjes die dienst hebben in de zaal, en wandel naar buiten. Ik logeer niet langer meer in het hotel en rijd vandaag terug naar de hoofdstad. Buiten staat mijn auto op de kleine parkeerplaats. Hij staat daar alleen. Deze plek is te afgelegen om veel bezoekers te lokken. Ik vraag me af hoeveel van de gasten zelf kozen om hier naartoe te komen.

Ik zit in de auto en doe niets. Ik hoef de sleutel maar om te draaien en weg te rijden, maar ik zit hier zomaar. Ik kijk uit over de voorkant van het tehuis, met de poel. Die heeft nu mijn aandacht. Ik kan het gladde wateroppervlak zien, en de bijna kale oevers. De poel is niet groot, misschien vijftien meter in de ene richting.

Het water rimpelt. Er is misschien wind opgestoken, die het water beroert. De maan staat halfvol achter mij, ergens, en het licht ervan betast het oppervlak van de poel. De natuur werkt niet in mijn voordeel, gunt me geen duidelijk beeld. Ik ga wat meer rechtop zitten. Ik kan ook uitstappen, dichterbij gaan, omdat er zich daar in die poel wat afspeelt, maar misschien wil ik niet weten wat er aan de hand is.

Het water in de poel is in beweging. In het midden lijkt zich een uitstulping te vormen, ik kan het niet anders interpreteren. Iets rijst omhoog van onder het oppervlak, van uit de diepte van de poel — die onmogelijk diep kan zijn. Het water splijt, sijpelt, klatert, rilt, druppelt — en de vorm verheft zich boven de poel, meteen gevolgd door een tweede, maar kleiner van formaat, slanker, minder robuust dan de eerste.

Ze stappen beiden de oever op, genadeloos, zonder te aarzelen, en dalen de duin af die het gebouw scheidt van het strand. Ik verlies hen even uit het oog en zie hen pas weer op het strand zelf, nog steeds omfloerst getekend in maanlicht.

Ze begeven zich richting de zee. Gehaast zijn ze niet. Hun vorm is onnauwkeurig, en slechts vaag lijken ze op mensen. Ze naderen de branding en vervagen steeds meer, tot ze helemaal oplossen in de lucht en misschien in het water.

In de auto is het kil. Buiten komt mist opzetten. Ik moet nog een heel eind rijden, en start de motor. Achter het raam van een van de kamers kijkt een van de gasten naar mij. Een schaduw, een silhouet, meer kan ik niet onderscheiden. Van ver klinkt een stem. ‘Erik? Ben jij dat, Erik? Ben je hier?’ Ik herken de stem niet, maar ik weet dat het die van mijn moeder is.



Guido Eekhaut is het best bekend om zijn misdaadboeken maar schrijft ook speculatieve fictie, fantastische literatuur en (new) weird, voor volwassenen en voor jonge lezers. Hij werd bekroond met de Hercule Poirot Award voor Absint, tweemaal genomineerd voor de Gouden Strop en met zijn hele oeuvre voor de Gouden Vleermuis. Hij schrijft en publiceert ook in het Engels, en werk van hem werd vertaald in onder andere het Duits, Pools en Spaans.

Lees hier meer verhalen