Vonk logo

Het klinkt wellicht vreemd, maar ik was verbaasd toen ik merkte dat ik leefde. Ik voelde de wind langs mij strijken, de regen op mij neervallen, de koelte van de nacht en de hitte van de dag. Vraag me niet direct om alle vragen in uw hoofd op te lossen, heb geduld met mij, zoals ik ook geduld heb gehad. Ik leef! Hoe ik dat weet? Hoe weet u dat u leeft! Het duurde jaren voordat ik besefte dat ik was gaan leven. Daarvoor was ik net als al mijn broeders en zusters om mij heen. Domme dode stukken hout. Natuurlijk, zij leven ook, maar hoe levenloos is hun bestaan. Ik zal u vertellen wat er gebeurde. Hoe het toeval mijn bewustzijn deed ontwaken en ik kennis kreeg van alle dingen die mijn geheugen had opgeslagen door de eeuwen heen. Was het toeval? In mijn vroegste herinneringen zweefden kleine wezens rond mij stam, speelden tussen mijn takken, trokken plagerig aan mijn bladeren. Met vleugels als van glas, kwetterend als vogels en ze strooiden stof op mij dat schitterde als zilver. Op een gegeven moment waren ze verdwenen en  werd het stil op de open plek in het bos, waar ik langzaam uitgroeide tot een reus


Het regende hard en de druppels kletterden neer op de legionairs. Spatte op van hun helmen en droop af van hun leren tunieken. Onverbiddelijk stapten zij door, de schilden aaneengesloten, de korte zwaarden ontbloot. Langzaam naderden zij de kleine groep druïden, die slechts de bescherming hadden van een twintigtal krijgers. De veldslag bij het dorp Astium was kort geweest.

De Frisii strijdmacht, een honderdtal mannen, waren geen partij voor de centurie van het 15^e^ legioen Primigeia. Slechts een handvol wist te ontkomen aan de slachting en vluchtte naar het woud, waar ze vergeefs bescherming zochten onder de eik, die al jaren de plaats was waar zij hun goden aanbaden, rechtspraken en hun offers brachten. 

De Romeinen hadden hen snel gevonden en de open plek rond de eik was groot genoeg voor een schildmuur.

‘Thri, de machtige zal jullie beschermen. De heilige eik, deze heilige plaats mag niet bezoedeld worden,’ schreeuwde een van de druïden. Zijn grijze haar hing tot halverwege zijn rug. Zijn hoofd was aan de voorkant kaalgeschoren en bedekt met verf. ‘Dood de romeinse honden!’

De krijgers vielen gillend aan en stierven schreeuwend onder de genadeloze steken van de gladius. Het gras glinsterde rood en bloed, vermengd met regenwater, drong door in de bodem.

De druïde die de aanval had bevolen begon te zingen. De andere druïden vielen hem bij en vervloekingen stroomden van hun lippen. Even aarzelden de legionairs. Een felle bliksemschicht scheurde langs de hemel.

‘Dood ze.’ beval een centurion met de naam Marcus. Zijn stem was kalm en rustig. Dit was een herhaling van talloze gevechten. Deze strafexpeditie die hen ver ten noorden van de Rijn voerde was bijna voorbij. Breek het verzet en dood alle druïden, dat was de opdracht. En als er iets was waar Marcus van hield, dan was het doden van die enge gluiperds die steeds weer de mensen wisten op te jutten om in opstand te komen tegen het romeinse rijk.

De schildmuur sloot de druïden in rond de hoge eik. Marcus stak toe met de gladius en voelde hoe hij vlees raakte. De druïde voor hem gilde en zakte ineen. De andere legionairs hakten en staken alsof waanzin hen in bezit had genomen. De druïden waren al lang dood, terwijl de soldaten nog op hen inhakten en dan plotseling ophielden. Bijna versuft keken ze elkaar aan. Marcus hijgde zwaar en ademde een paar maal diep om zeker te zijn dat hij zijn stem onder controle had.

‘Nou, ik denk dat de boodschap duidelijk is. Deze druïden vormen geen bedreiging meer.’

Er klonk hier en daar een lachen, maar niet van harte. De gezongen hymne van de druïden had iedereen geraakt.

Het geheiligd bloed van de aan stukken gehakte lichamen sijpelde door de aarde en werd met de regendruppels opgenomen door …


… de heilige eik. 

Zo noemden zij mij. Wist ik veel? Ik wist niets!

Ik nam al deze dingen in mij op, zonder het te beseffen. Zoals ik de regen voelde, de warme zon en ik het zwijn waarnam dat vluchtte voor de jagers. Alles werd opgeslagen, ergens, zonder dat er besef was.


De graaf van Gelre, Otto de Eerste,  keek neer vanaf zijn strijdros op de twee mannen die voor hem in het gras geknield lagen. De zon scheen tussen de takken van de hoge eik door, terwijl zij langzaam naar de horizon wegzakte. Het was broeierig warm en zweet droop van het gezicht van de graaf in de ijzeren kraag van het kuras dat hij droeg. De strijdros bewoog schichtig en stampte met zijn linker voorhoef.

‘Rustig Wolf, rustig.’ sprak Otto op kalme toon.

Hij zuchtte en richtte zich tot de twee mannen die slechts gekleed waren in een knielang ruw katoenen hemd. De witte stof was bevlekt met bloed, van de wonden die het verhoor hadden achtergelaten. Om de twee mannen stonden de Rakkers van de Schout Mark van het graafschap Asten en daarachter de opgewonden menigte die alleen maar bloed wilde zien. Het was een hete, benauwde dag geweest en de veroordeling had even op zich laten wachtten, maar uiteindelijk was het vonnis geveld. Dood door ophanging, waarna de lichamen in stukken zouden worden gehakt en achtergelaten voor de wolven.

De Graaf van Gelre zuchtte. De dood in al zijn vormen maakte hem misselijk sinds hij terug gekomen was van zijn kruistocht naar het Heilige Land. Daar had hij dingen gezien waarbij de misdaad van deze twee mannen in het niet zou verdwijnen. Hekserij en sodomie. 

Hij keek om zich heen, de bossen, het dorp Asten, met ten zuiden het kasteel De Borg en een hoge toren die uitkeek over zijn Heerlijkheid. En niets hiervan bood hem het plezier dat hij zou mogen verwachtten. De wereld, zijn wereld, was gevuld met geweld en lijden.

Ophanging, radbraken, martelingen. Hij wist dat ook hij, overtuigd christen, alles zou bekennen onder de verhoren van de schout en de beul. God zou je beschermen als je echt onschuldig was. Tijdens het beleg van Akko had hij gezien hoe mensen alles bekenden… alles wat je maar wilde horen zolang de ijzers roodgloeiend waren. Hij sloot even zijn ogen. Er waren uitzonderingen, maar daar behoorden deze mannen niet toe. Zij hadden uiteindelijk schreeuwend bekend, sodomie en contact met de duivel. Zij waren verantwoordelijk voor de miskraam van Anke, de dochter van de smid, omdat Karl de smid niet was ingegaan op de avances van Dieder, één van de veroordeelden.

Het waren heksen, geen twijfel en de mannen moesten sterven.

‘Schout Mark, op deze Dingplaats waar al sinds heugenis recht wordt gesproken en uitgevoerd, beveel ik u het vonnis over deze twee mannen uit te voeren, God zij u genadig.’

‘Nee!’ riep Dieder, de langste van de twee mannen, met een stem vol angst en woedde. ‘ Wij zijn onschuldig! Wij …’

De man werd tegen de grond geworpen.

Otto tikte met zijn rechtervoet, bekleed met een ijzeren laars, de hengst Wolf in de flank. Het dier draaide en liep in een lichte draf weg, richting de bosrand.

Er klonk een luid gejuich toen de twee mannen naar de grote eik werden gesleept. Ze smeekten, huilden, maar dat vond geen weerklank.

‘Wees dan vervloekt!’ schreeuwde Dieder. ‘Als ik moet sterven, omdat ik de duivel zou aanbidden, dan roep ik nu de duivel op als mijn getuige. Asten is vervloekt bij mijn bloed en leven. Jij Graaf van Gelre, ik vervloek je.’

Otto hield even zijn paard in en keek achterom.

‘Sla zijn muil in,’ beval hij met woedende stem.

‘Zoals u wilt heer,’ riep de schout en ramde zijn gepantserde vuist in het gezicht van de man die nog steeds vervloekingen uitbraakte. Tanden versplinterden en de onderkaak knapte als een dorre tak.

De Rakkers lachten en rukten de witte katoenen hemden van de mannen hun lichaam. Hennep touwen werden over een laaghangende tak geworpen en rond de halzen van de twee veroordeelden gelegd.

‘Niet boeien, niet boeien!’ schreeuwde iemand.

Deze kreet werd door de overige omstanders overgenomen.

Mark, de schout van Asten grijnsde.

Verdomd, zij wilden een spektakel, hij zou het hen geven, dacht hij.

‘Niet boeien. Laat ze dansen!’ beval hij en schopte een van de veroordeelden in het kruis.

De man schreeuwde luid en zijn ogen waren vol angst en ongeloof.

De omstanders juichten terwijl de Rakkers de veroordeelden omhoog hesen. Ze spartelden, toen het touw hen de adem afsneed en hen langzaam wurgden.

‘Ze druppen zaad! Hun vervloekt zaad!’ schreeuwde een van de Rakkers en de omstanders juichten terwijl het spartelen afnam en de veroordeelden stierven. 

‘Hak ze in stukken en laat hen over aan de wilde beesten van het woud’, schreeuwde Mark. De rakkers trokken hun zwaarden, maar hielden in toen er een donderend roffelen weerklonk. De lucht ten zuiden van Asten werd blauwzwart. Het paard van de Otto steigerde toen een felle bliksem uit de lucht neersloeg naar het land.

‘Onweer, normaal na een dergelijke benauwde warme dag,’ grauwde Mark en wendde zich tot de Rakkers. ‘Doe Gods werk.’

De rakkers liepen naar de gehangen toe en begonnen ze in stukken te hakken. De mensen zwegen, terwijl de donker zwarte wolken over elkaar heen buitelden. Opnieuw scheurde een felle bliksem door de lucht en trof de hoge toren naast het kasteel De Borg.

‘Maria, heilige vrouwe,’ mompelde Otto, terwijl zag hoe vlammen uit de toren sloegen, die uit hout en steen was opgetrokken.


De dagen gleden voorbij totdat er iets bijzonders gebeurde. Op een regenachtige ochtend zag ik een klein plantje groeien aan de voet van mijn stam. Ik wist nog van niets, dus kon mij er niet over verbazen. Ik registreerde het alleen. Pas later besefte ik dat dit een alruin plantje was, een magisch knolvormig gewas dat elk jaar sterker en krachtiger zou worden. Geboren uit het zaad van een gehangene.

Het regende dagen achter elkaar, de zon scheen. Het sneeuwde en de jaren gingen voorbij. Er vond een veldslag plaats waarbij de doden kniehoog het veld bedekten. En langzaam begon ik te walgen van het geweld, de dood en het bloedvergieten om mij heen. Maar ik was slechts een stuk hout.


Het regende pijpenstelen en de bladeren van de bomen in het bos hingen en glansden diep groen. Het bos leek te leven door de druppels die neersloegen. Het was lange tijd droog en heet geweest en het land had eronder geleden. Oogsten waren mislukt en zij die durfden hadden naar andere manieren gekeken om in leven te blijven. Drie leden van de bende van Ede zouden nu boeten voor het plunderen van boerderijen en het overvallen en vermoorden van reizigers. Ze waren hierbij als beesten tekeer gegaan. De drie waren gevangen genomen tijdens een overval op de herberg Het Zwarte Schaap. Het was pech, domme pech, dat de broers Walden samen met hun knechten een glas wijn waren gaan drinken. De broers Walden domineerden de streek, zij waren zoons van de grootste en rijkste boer in de streek Asten. Ze hadden gevochten bij Waterloo tegen de Fransen en hielden van geweld. En ze hielden ervan om eigen rechter te zijn. 

De drie van de Bende van Ede zwegen als het graf. Hun lichamen toonden de wonden die zij hadden opgelopen bij het gevecht in de herberg. Er zou geen recht worden gesproken, alleen wraak genomen voor de terreur die zij over het land hadden gebracht. Vijf van hun kornuiten hadden de gevangenneming niet overleefd en nu zij voorover gebogen, in het gras onder de grote eik geknield lagen, wisten ze dat zij geen genade te verwachtten hadden.

‘Laat ons recht zegevieren en zend hen naar de hel’, gromde Jasper, de oudste van de twee broers. 

‘Doe jullie maats de groeten, die zitten al op jullie te wachten,’ spotte de andere en een aantal knechten die waren meegekomen lachten.

Staal schitterde in de regen en twee hoofden rolden door het gras, al snel gevolgd door nog een. Bloed spatte rond en de broers veegden hun zwaarden schoon aan de kleding van hun slachtoffers.

‘Laten we nog wat drinken, voordat het onweer echt losbarst. Zodra het weer opklaart zullen wij de lichamen wel begraven. 

Lachend en elkaar op de schouders slaand liepen de mannen richting het dorp, maar eerst nog even langs Het Zwarte Schaap. 

Het bloed stroomde langs mijn wortels, tot diep in de grond. 

Oud vervloekt bloed en vers bloed, nog bijna warm. Het mengde zich en werd bijna gretig opgezogen door de alruin planten, die ook onder de droogte hadden geleden.

Een bliksem sloeg neer uit de hemel en blauw vuur spatte over mijn lichaam. Geelgroene vlammetjes dansten langs mijn schors naar beneden en doofden niet toen ze de grond raakten, verbrandden niet mijn bast. Stof dat ooit eens schitterde als zilver, beschermde mij. De vlammen werden door de grond opgenomen en verzengden de Alruinplanten met hun hitte. Geel sap droop uit de Alruinknollen en vermengde met het regenwater en het blauwe vuur. Mijn haarwortels zogen het op uit de grond en ik kreunde, gromde trilde. Mijn takken zwiepten rond, was het de harde wind of… Mijn wortels kraakten en het was toen dat ik besefte dat ik leefde.

DAT IK LEEFDE!

Niet zoals mijn broeders en zusters, stom en doof, alleen tot waarnemen in staat.

Nee… IK LEEFDE!


De eerste dagen waren ronduit geweldig opwindend. Ik moest wennen aan mijzelf. Kracht zoals ik nog nooit eerder had gevoeld doorstroomde mij en met een oppermachtig gevoel bewoog ik mijn takken. Liet ik mijn bladeren ritselen. Niet langer gebonden aan de grillen van wind en storm.

Diep in mij zat een enorme kennis opgeslagen. Per slot van rekening was ik een oude boom, die in de honderden jaren die langs gegleden waren, alles had opgenomen en niets was vergeten.

Ik herinnerde mij de kleine wezens, de druïden die werden afgeslacht, moordenaars die werden terechtgesteld en een seance van vrouwen, die rond mijn stam hadden gedanst. Een man die zich had uitgekleed en daarna had verhangen.

Ik was veranderd en leefde, kon denken, maar verder? Lange sterke wortels hadden mij in de grond verankerd. En ik wist ook niet zeker of ik wel weg wilde. Ik was bang voor wat er buiten mijn gezichtsveld zou zijn. 

De tijd ging voorbij en ik wachtte.


Hoeveel tijd later het was dat ik twee stemmen hoorde, weet ik niet. Het is moeilijk voor mij om uren dagen en weken uiteen te houden, als je iemand bent die rekent in eeuwen. De dode mannen waren nooit weggehaald en alleen hun beenderen met rottend vlees waren overgebleven in het kniehoge gras. Met een dunne twijg had ik net een jong eekhoorntje gevangen en terwijl ik de laatste adem uit het wezentje wurgde hoorde ik de stemmen. Ik versteende en het levenloze lichaampje van het eekhoorntje tuimelde op de grond. De stemmen kwamen dichterbij en ik voelde hoe de vermoeidheid uit mijn lichaam verdween en plaats maakte voor opwinding. Dan zag ik de mensen. Een man en een vrouw. Uit mijn herinneringen wist ik dat ze jong moesten zijn, maar al wel de kindertijd ontgroeid. De vrouw droeg een rok en een blouse met een jas. Op haar hoofd een hoed en voor haar gezicht een zwart stuk gaas. Ze leunde op een parasol en haar handen waren bedekt met zwarte handschoenen. Ik bekeek het stel dat naderbij kwam en zuchtte diep van spanning. Hij droeg een zwart pak met een zilverkleurig vest en een hoge hoed. Ik was benieuwd of zij zich zouden uitkleden, verhangen of elkaar zouden doden.


‘Het bos leeft, oh, ik vind het hier zo mooi. Is het niet Mark?’

‘Jij bent mooi Angela. Dat is het enige dat ik zie.’

De man trok de voile voor haar gezicht weg en kuste haar. Nam haar in zijn armen, terwijl zij haar handen naar zijn schouders bracht.

‘Nee Mark, alsjeblieft. Dit is niet wat ik …’

Zijn mond stopte haar woordenstroom en zijn handen trokken aan haar kleding, gleden over haar rug en grepen haar billen en probeerden haar rok los te knopen.

‘Mark…  Mark, dit wil ik niet. Laat me gaan. Laat me gaan.’

‘Dit is wat ik wil Angela en jij ook!’

De vrouw gilde. 

Mijn bast kraakte.

De man gromde

Ik kreunde.

Terwijl de man met zijn handen over het lichaam van de vrouw gleed, schoot mijn onderste tak naar beneden. De dunne twijgen sloten zich rond zijn benen en moeiteloos tilde ik hem omhoog. Het gekrijs drong nauwelijks tot mij door. Wild stroomden de sappen door mijn vaten en meerdere takken stuurde ik op de man af. Als zwepen troffen ze zijn lichaam. Bloed, het rode levenssap van de mens, spatte rond, terwijl de vrouw wegrende. Ze holde langs mij heen en struikelde bijna over de resten van mijn vorige bezoekers. Ze wankelde tussen de witte botten door en slechts de angst hield haar op de been. Ver buiten mijn bereik keek ze even over haar schouder. Ik wilde toen dat ik kon grijnzen, zoals de jonge man grijnsde, in zijn strijd om de laatste adem.

Het meisje vluchtte weg, haar blonde haren wapperden achter haar aan. Langzaam keerde de rust weer terug. Een vogel landde op een dikke tak en kwetterde. Het lichaam van de jongen lag aan de voet van mijn stam en ik voelde dat het rode bloed mij versterkte als de regen na lange droogte.

Ik voelde me machtiger en sterker dan ooit, zwaaide met mijn takken en dommelde langzaam in. 

Ik weet niet hoeveel tijd er was verstreken toen het geluid van harde stemmen mij wakker maakte. De schemer was ingevallen. Dieren vluchtten langs mij heen en mijn gevederde vrienden vlogen piepend weg. Ik voelde een soort intense spanning en was nieuwsgierig wat er zou gaan gebeuren.

Toen zag ik ze. Een grote groep  mannen kwam tussen de bomen doorgelopen en bleef buiten mijn bereik staan

Ik bewoog mijn takken, want ik zag tussen de mannen het meisje, dat hard was weggelopen. Zij praatte met de mannen, wees in mijn richting en begon te huilen.

Ik zwaaide heftig met mijn takken en bemerkte dat de mannen nu naar mij keken. Op hun gezichten las ik angst en verwondering. Vervolgens gingen ze uiteen en vormden een cirkel rond om mij. Langzaam kwamen ze dichterbij.

Mijn herinneringen vertelden mij dat dit veel leek op wat die vrouwen, eeuwen geleden, hadden gedaan. Misschien zouden ze nu ook gaan dansen en zingen. Ik sloeg ze aandachtig gade. De mannen hadden brandende fakkels bij zich, bijlen en hooivorken. Langzaam, voorzichtig naderden zij.


Ik bewoog me niet meer. Wat gingen ze doen? Een vreemd gevoel, dat ik niet kende, verspreidde zich door mijn lichaam, tot in de uiterste nerven van mijn bladeren. Ik verloor de mannen even uit het oog, was nog te druk bezig met het analyseren van die onbekende gevoelens. Dan ineens wist ik het: angst!

Ik had het eerder waargenomen toen de bliksem mij raakte. Het deed pijn. Angst gaat gepaard met pijn. En de angst was overal in mijn lichaam, dus …

Pijn scheurde door mijn lichaam en ik gilde zonder geluid voort te brengen, zwiepte met mijn takken en werd woedend. Het waren de mensen die mij pijn deden!  

Zij sneden in mij! Hakten in mij. Mijn bladeren verzengden in hete vlammen.

Genadeloos sloeg ik toe en een onderste tak sloeg een man neer die een bijl in mijn stam had gezet. Hij schreeuwde kort. Nogmaals kwam de tak neer en de man zweeg. Andere takken schoten naar beneden en sloegen  op de zachte huid van deze mensen, die nu gilden en schreeuwden. Een jonge twijg zwiepte omlaag, slingerde zich rond een hals en sneed deze af. De man krijste terwijl het levenssap over zijn lippen stroomden. Andere mannen werden door mij tegen de grond geslagen. Steeds weer sloegen mijn takken op de lichamen die wild kronkelden totdat het rode bewegingloze vormen waren.

De grond was bedekt met bloed en mijn takken glommen donkerrood. Ik rustte even en luisterde naar het gillen in de verte. Het gillen van zij die waren ontkomen. Het bloed drong door in de grond en vulde mij met nieuwe kracht.  Ik trilde en sidderde van wortel tot kruin. De grond om mij heen schokte en diepe scheuren werden zichtbaar. Dan werden wortels blootgelegd. Langzaam, heel langzaam verhief ik mij. Ik wankelde, maar bleef overeind. Langzaam verplaatste ik de meters lange wortels zodat het hout kraakte. Het zand spatte alle kanten op, terwijl ik uit het diepe gat stapte waar ik eeuwen had gerust.


De zon zonk langzaam achter de horizon en kleurde de hemel zo mooi dat ik even bleef staan kijken. De wind ritselde door mijn bladeren terwijl ik stil hield aan de rand van het bos.

De nacht viel, zoals altijd. Alleen zou het ditmaal een ongewone nacht zijn. Tussen de kale landen die zich voor mij uitstrekten lag een dorp, verzonken in de schaduwen van de omringende heuvels.

De zon was bijna verdwenen.

Langzaam en krakend zette ik mij in beweging, richting dat dorp.


J.P.Rotensen: Ik ben geboren in 1963 in Nederland, Groningen. Op mijn zevende met mijn ouders meeverhuisd naar Lelystad. Daar woon ik nu nog steeds, samen met mijn vrouw en labrador Izzie. Ik wandel ontzettend graag en heb samen met mijn vrouw inmiddels het Pieterpad gelopen. Maar ook alleen met mijn hond Izzie wandel ik iedere dag kilometers door het bos. Al wandelend doe ik veel ideeën op voor korte en lange verhalen. Vaak blijft het bij korte notities.

Lees hier meer verhalen